FutD - archief
Print

Nummer fida20210692
Kenmerk Rechtbank Amsterdam 29 januari 2021 AMS20/7027
Titel Woonplaats en niet woonsituatie van belang voor recht op TOZO-uitkering
Samenvatting Aan ondernemer X was TOZO-1 en -2 toegekend voordat hij de gemeente Amsterdam had laten weten dat hij dak- en thuisloos was. Hij had de gemeente gezegd dat hij bij zijn ouders en in zijn auto verbleef, maar handhavingsspecialisten hadden hem bij controlebezoeken niet op de opgegeven locaties aangetroffen. Sinds 14 december 2020 woonde X niet meer in Amsterdam en was hij ingeschreven bij een andere gemeente. De gemeente wees zijn verzoek om TOZO-3 af, en vorderde de toegekende TOZO-2 terug. X ging in bezwaar en vroeg de bestuursrechter van Rechtbank Amsterdam tegelijk om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wees het verzoek met betrekking tot de terugvordering van TOZO-2 af omdat hiervoor uitstel van betaling was verleend en daarom geen sprake was van onverwijlde spoed. Het verzoek met betrekking tot TOZO-3 wees de Rechtbank toe. Op een TOZO-uitkering werd geen kostendelersnorm toegepast in het geval van kostendelende medebewoners, zodat niet de woonsituatie maar slechts de woonplaats van X relevant was voor beantwoording van de vraag of hij recht had op TOZO. Het "verrassingseffect" bij de controlebezoeken vond de Rechtbank in dit geval niet van belang. De handhavingsspecialisten hadden X ook kunnen bellen om te vragen of hij zich in de buurt van de opgegeven locaties bevond en dit vervolgens kunnen controleren. De gemeente had daarmee onvolledig onderzoek gedaan naar de woonplaats van X. Daarbij was van belang dat X van 5 maart 2018 tot en met 4 juni 2020 bijna altijd in de gemeente Amsterdam was ingeschreven en hij zich op 10 november 2020 als dakloze bij de gemeente had gemeld. Ook waren er geen aanwijzingen dat X al vr 14 december 2020 naar een andere gemeente was verhuisd en daar TOZO had aangevraagd. Daarom was het aannemelijk dat X van 1 oktober 2020 tot 14 december 2020 in Amsterdam woonde. De voorzieningenrechter besliste dat de gemeente aan X een voorschot op TOZO-3 moest verlenen voor de periode van 1 oktober 2020 tot 14 december 2020.
Tekst

Zaaknummer: AWB 20-7027 en 21-79

Uitspraak

Voorlopige voorziening

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/7027 en AMS 21/79

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[verzoeker] , te [plaatsnaam] , verzoeker

(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop


Bij besluit van 23 november 2020 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers 3 (Tozo 3) afgewezen.

Bij besluit van 27 november 2020 (het primaire besluit II) heeft verweerder de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers 2 (Tozo 2) van verzoeker van 4 juni 2020 tot en met 30 september 2020 ingetrokken en € 4.089,10 teruggevorderd.

Verzoeker heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen. Het verzoek met betrekking tot het primaire besluit I is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer AMS 20/7027. Het verzoek met betrekking tot het primaire besluit II is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer AMS 21/79.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2021.
Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemachtigde van verweerder was aanwezig door middel van een videoverbinding.

Overwegingen


1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Waar gaan deze zaken over?

2. Verzoeker heeft een [soort bedrijf] , genaamd ' [naam] ' met als bedrijfsactiviteiten het inboeken van [omschrijving] . Verweerder heeft eerder een Tozo 1 en Tozo 2 aan verzoeker toegekend.

3. Verzoeker is sinds 4 juni 2020 niet meer in [plaatsnaam] ingeschreven volgens de Basisregistratie Personen (BRP). Verzoeker heeft op 10 november 2020 aan verweerder doorgegeven dak- en thuisloos te zijn. Op het formulier 'Opgave verblijflocatie(s) dak- thuisloze' van 23 november 2020 heeft verzoeker drie verblijfslocaties opgegeven, n in [plaatsnaam] (bij zijn ouders) en twee in [plaatsnaam] . Hij heeft doorgegeven dat hij in [plaatsnaam] verblijft in een [kleur auto] [merk auto] geparkeerd op de [locatie] of [locatie] bij [locatie] . Tijdens locatiebezoeken op 1 december 2020 hebben handhavingsspecialisten van verweerder verzoeker niet aangetroffen op de opgegeven verblijflocaties in [plaatsnaam] . Ook tijdens locatiebezoeken op 2 december 2020 hebben handhavingsspecialisten verzoeker niet op de locaties aangetroffen. Op 4 december 2020 zijn handhavingsspecialisten voor een derde keer op de verblijfslocaties geweest, maar zij hebben verzoeker wederom niet aangetroffen. De bevindingen van de handhavingsspecialisten zijn vastgelegd in een op ambtseed opgemaakte en ondertekende handhavingsrapportage.

4. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker om een Tozo 3 voor oktober 2020 tot en met maart 2021 afgewezen, omdat hij volgens de Basisregistratie Personen (BRP) niet in de gemeente [plaatsnaam] woont. Om dezelfde reden heeft verweerder de Tozo 2 van verzoeker van 4 juni 2020 tot en met 30 september 2020 ingetrokken en € 4.089,10 teruggevorderd.

Intrekking en terugvordering van Tozo 2 (AMS 21/79)

5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verweerder heeft met de brief van 14 januari 2021 aan verzoeker uitstel van betaling verleend voor het teruggevorderde bedrag voor de duur van zes maanden. Om die reden is geen sprake van onverwijlde spoed en treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening in deze zaak.

Afwijzing Tozo 3 (AMS 20/7027)

6. Met betrekking tot de afwijzing van Tozo 3 is de voorzieningenrechter van oordeel dat wel sprake is van onverwijlde spoed, nu verzoeker dit inkomen nodig heeft om zijn financile lasten te kunnen voldoen.

7. Verzoeker stelt dat hij van 1 oktober 2020 tot en met 14 december 2020 wel degelijk zijn woonplaats in [plaatsnaam] had. Zijn sociale netwerk bevond zich in [plaatsnaam] en hij was daar dan ook zoveel mogelijk. Hij verbleef af en toe een paar dagen in [plaatsnaam] bij zijn ouders. Op de dagen dat de handhavingsspecialisten naar de opgegeven verblijfslocaties zijn gegaan om te controleren of hij daar was, hadden zij hem ook kunnen bellen. Als het koud was ging hij namelijk weleens een stuk wandelen. Als hij was gebeld, dan was hij binnen vijf minuten bij de handhavingsspecialisten geweest en was duidelijk geweest dat hij inderdaad in [plaatsnaam] verbleef. Sinds 14 december 2020 woont hij in [plaatsnaam] en is hij daar ook ingeschreven.

8. Verweerder neemt het standpunt in dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker van 1 oktober 2020 tot 14 december 2020 in de gemeente [plaatsnaam] verbleef. Daarom is er geen ruimte om aan verzoeker Tozo 3 toe te kennen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat handhavingsspecialisten tijdens hun bezoeken verzoeker niet hebben gebeld omdat duidelijk was dat verzoeker niet op de opgegeven locaties aanwezig was. Als handhavingsspecialisten verzoeker wel zouden bellen, zou het verrassingseffect van de bezoeken weg zijn, aldus verweerder.

9. De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van de Tozo-regeling en artikel 40 van de Participatiewet (Pw) recht op Tozo bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in artikel 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag waar iemand woont is bepalend de plaats waar hij werkelijk woont en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand woonplaats heeft dient dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.1

10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het onderzoek van verweerder dat aan het primaire besluit I ten grondslag ligt, onvolledig is geweest. Zoals verzoeker heeft betoogd en verweerder niet heeft bestreden, wordt op een Tozo-uitkering (in tegenstelling tot andere bijstandsuitkeringen) geen kostendelersnorm toegepast in het geval van kostendelende medebewoners. Daarom was niet de woonsituatie maar slechts de woonplaats van verzoeker relevant voor beantwoording van de vraag of hij recht had op Tozo. Het zogenoemde 'verrassingseffect' bij de bezoeken van de handhavingsspecialisten was in dit geval dan ook minder relevant. De voorzieningenrechter ziet geen reden waarom de handhavingsspecialisten tijdens de bezoeken niet met verzoeker konden bellen om te vragen of hij zich in de buurt van de opgegeven locaties bevond en dit vervolgens te controleren.

11. Verweerder heeft na de aanvraag van verzoeker dus onvolledig onderzoek gedaan naar zijn woonplaats. Daarbij is verzoeker van 5 maart 2018 tot en met 4 juni 2020, op een halfjaar na, altijd in [plaatsnaam] ingeschreven geweest en heeft verzoeker zich op 10 november 2020 als dakloze bij de gemeente [plaatsnaam] gemeld. Ten slotte zijn er geen aanwijzingen dat verzoeker al vr 14 december 2020 zijn woonplaats naar een andere gemeente heeft verplaatst en daar Tozo heeft aangevraagd. De voorzieningenrechter acht het daarom aannemelijk dat verzoeker van 1 oktober 2020 tot 14 december 2020 zijn woonplaats in [plaatsnaam] had.

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit I wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter bepaalt verder dat aan verzoeker een voorschot op Tozo 3 wordt verleend voor de periode van 1 oktober 2020 tot 14 december 2020.

13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek in de zaak AMS 20/7027 toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht in die zaak vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder ook in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1068,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak AMS 21/79 af;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak AMS 20/7027 toe;
- schorst het primaire besluit I tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar en bepaalt dat verweerder aan verzoeker een voorschot op Tozo 3 verleent voor de periode van 1 oktober 2020 tot 14 december 2020;
- draagt verweerder op het in de zaak AMS 20/7027 betaalde griffierecht van € 45,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van der Zweep, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2021.

griffier
voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8937.

Datum 20210129