FutD - archief
Print

Nummer fida20210592
Kenmerk Rechtbank Den Haag 11 december 2020 8847448RPVERZ20-50617
Titel Bonusverbod NOW niet voor uitgeschreven, arbeidsongeschikte bestuurder
Samenvatting X was sinds 1 juli 2006 in dienst bij BV Y en vanaf 1 januari 2009 stond hij bij de KvK ingeschreven als zelfstandig bevoegd bestuurder. In november 2018 raakte X arbeidsongeschikt. De kwartaalbonus van € 2.500 die in zijn arbeidsovereenkomst was opgenomen, bleef hij vooralsnog ontvangen. In 2020 betaalde BV Y de bonus echter niet meer uit, omdat de NOW 1.2-regeling uitbetaling van een dergelijke bonus aan bestuurders als X niet toestond. X spande hierop een procedure aan. Hij stelde dat hij geen beleidsbepaler was geweest in de zin van de NOW-regeling, waardoor het bonusverbod niet op hem van toepassing was. Verder was hij vanaf 8 januari 2020 uitgeschreven bij de KvK als bestuurder van BV Y. Rechtbank Den Haag stelde vast dat in de toelichting bij de NOW 1.2-regeling alleen gold voor het bestuur en de directie van de aanvragende onderneming. In de toelichting van de minister van SZW op de NOW 2.0-regeling was opgemerkt dat het begrip bestuur, directeur (of management) breed moest worden opgevat. De registratie in de KvK was niet doorslaggevend, ook niet of de betrokken personen beslissend en/of tekeningbevoegd waren. Bestuursleden, directieleden of leden van het management die het beleid bepaalden, behoorden tot het bestuur en vielen daarmee onder het bonusverbod. Weliswaar ging het in dit geval om een uitleg van de NOW 1.2-regeling, maar het bonusverbod was in de NOW 2.0-regeling niet inhoudelijk gewijzigd. Daarmee kon de uitleg in de toelichting op de NOW 2.0-regeling volgens de Rechtbank gezien worden als een verdere evolutie van de uitleg van hetzelfde begrip en daarmee kon aan die uitleg ook betekenis toekomen voor de uitleg van de NOW 1.2-regeling. Dit betekende dat X in ieder geval beleidsbepaler was zolang hij bij BV Y de statutaire functie van bestuurder had, in de periode 1 januari 2009 tot 8 januari 2020. In die periode was hij bevoegd alleen en zelfstandig BV Y te besturen en was hij ook beleidsbepaler bij BV Y. Dat volgde ook uit zijn arbeidsovereenkomst, waaruit bleek dat X verantwoordelijk was voor de in- en verkoop, het personeelsbeleid en het zelfstandig besturen van het beveiligingsbedrijf. Sinds de uitschrijving bij de KvK had X zijn statutaire bevoegdheden niet meer, en kon hij vanwege zijn arbeidsongeschiktheid ook niet langer de beleidsbepalende taken uitoefenen. In die zin was X "overig personeel" geworden als bedoeld in de NOW 1.2-regeling, waarvoor het bonusverbod niet gold. De Rechtbank stelde X in het gelijk en bepaalde dat BV Y ook over de relevante periode in 2020 de bonus van € 2.500 bruto per kwartaal moest betalen.
Tekst

Zaaknummer: 8847448 RP VERZ 20-50617

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK DEN HAAG


Team Kanton Den Haag

CB/bc
Zaaknummer: 8847448 RP VERZ 20-50617
Uitspraakdatum: 11 december 2020

Beschikking op een verzoekschrift ex artikel 96 Rv in de zaak van:

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verder te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J.J.M. Damen (Damen Advocatuur),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam B.V.],
gevestigd en kantoorhoudend te Delft,
verwerende partijen,
hierna te noemen: [naam B.V.] ,
gemachtigde: mr. P.P.J. Elshof (Cees Advocaten).

1 Het procesverloop


1.1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het inleidend verzoekschrift van 30 oktober 2020 met negen producties (nrs. 1 tot en met 9);
- het verweerschrift van 29 oktober 2020 met een productie (nr. 1).


1.2. Op 27 november 2020 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Daarbij is namens [verzoeker] de gemachtigde verschenen en zijn namens [naam B.V.] de heer [betrokkene] en de gemachtigde van [naam B.V.] verschenen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het procesdossier bevinden.

1.3. Uitspraak op het inleidende verzoek is bepaald op heden.

2 De feiten


2.1. [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1954 is op 1 juli 2006 in dienst getreden bij [naam B.V.] . [verzoeker] was eerst werkzaam als [functie 1] , later als [functie 2] van [naam B.V.] .

2.2. Op 20 november 2018 is [verzoeker] arbeidsongeschikt geworden en momenteel is hij nog steeds arbeidsongeschikt. De 104-weken periode in verband met (door)betaling van het ziekengeld is geŽindigd op 20 november 2020.

2.3. In de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst is het volgende bepaald:

Er zal per kwartaal een bonus worden uitgekeerd van 2.500,00 euro bruto.

Tot en met 2019 heeft [verzoeker] elk kwartaal deze bonus ontvangen.

2.4. Op 2 juni 2020 is in een (eerdere) procedure tussen [verzoeker] en [naam B.V.] en schikking tot stand gekomen, die is vastgelegd in een proces-verbaal. Voor zover relevant voor deze procedure luidt het proces-verbaal:

[naam B.V.] betaalt aan [verzoeker] aan achterstallige bonus een bedrag van € 250,00 bruto. Voorts wordt vanaf 1 januari 2020 aan [verzoeker] betaald een bonus van
€ 2.500,00 bruto per kwartaal, naast het in de arbeidsovereenkomst vermelde salaris, een en ander totdat de 104-weken termijn is verstreken. Genoemde bonus wordt evenwel niet aan [verzoeker] uitbetaald, indien en voor zover mocht blijken dat de NOW-regeling uitbetaling van een dergelijke bonus niet toestaat.

2.5. Uit een Uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van 27 augustus 2019 blijkt dat [verzoeker] per 1 januari 2009 is ingeschreven als zelfstandig bevoegd bestuurder met de titel van ' [titel 1] '. Ook was [holding] bestuurster van [naam B.V.] als ' [titel 2] '. Per 8 januari 2020 is [verzoeker] als zodanig uit het Handelsregister uitgeschreven. Thans is [holding] enig bestuurster van [naam B.V.] .

3 Het inleidende verzoek en het verweer daartegen


3.1. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter te bepalen dat de NOW 1.2-regeling (Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 mei 2020, 2020-0000061139) niet verbiedt om door [naam B.V.] ook in het jaar 2020 aan [verzoeker] uit te betalen en kwartaalbedrag van € 2.500,00 bruto en/of te bepalen dat aan [verzoeker] ook over het jaar 2020 onverkort een kwartaalbedrag van € 2.500,00 toekomt, met veroordeling van [naam B.V.] in de kosten van de procedure.

3.2. Aan dit verzoek legt [verzoeker] - kort gezegd - ten grondslag dat hij geen [functie 2] is, noch is geweest in de zin van de NOW-regeling, waardoor het bonusverbod niet op hem van toepassing is.

3.3. [naam B.V.] verweert zich tegen het verzoek - kort gezegd - met de stelling dat [verzoeker] wel een [functie 2] in de zin van de NOW-regeling is, waardoor het bonusverbod wel op hem van toepassing is en [naam B.V.] niet gehouden is over het jaar 2020 de bonus te betalen op grond van het proces-verbaal van 2 juni 2020.

4 De beoordeling


4.1. In deze procedure verzoeken partijen in wezen een uitleg van de NOW-regeling, voor zover het betreft het 'bonusverbod' en toegepast op het specifieke geval van [verzoeker] als werknemer van [naam B.V.] . Partijen zijn het er daarbij voor eens dat het hierbij gaat om een uitleg van de zogenoemde NOW 1.2-regeling van 1 mei 2020, die gepubliceerd is in de Staatscourant van 4 mei 2020 (nummer 25372).

4.2. De NOW 1.2-regeling is de opvolger van de NOW 1.0 en -1.1-regelingen, die voorzagen in een tijdelijke loonsubsidie voor bedrijven en ondernemers, die getroffen waren door omzetverlies als gevolg van de corona-epidemie.

4.3. Op bepaalde punten wijkt de NOW 1.2-regeling af van de eerdere regelingen, met name op het punt van de uitbetaling van bonussen aan directies van getroffen bedrijven.

4.4. Aan de NOW 1.2-regeling is (ten opzichte van de NOW 1.1-regeling) een artikel 6a toegevoegd, dat (voor zover van belang) luidt:

1. In afwijking van artikel 6, vierde lid, kan aan de werkgever die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in dat lid, die daarom bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie heeft verzocht, subsidie worden verstrekt waarbij de omzetdaling wordt bepaald op basis van de omzetdaling van die rechtspersoon of vennootschap afzonderlijk, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
(....)
d. het groepshoofd, bedoeld in artikel 406, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de moedermaatschappij, bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, verklaart voorafgaand aan de aanvraag dat over 2020 geen dividenden aan aandeelhouders of bonussen aan de Raad van Bestuur en directie van het concern en de rechtspersoon of vennootschap voor waarop dit artikel wordt toegepast, waaronder mede begrepen winstdelingen, zullen worden uitgekeerd of eigen aandelen zullen worden ingekocht door de rechtspersonen binnen de groep tot en met de datum van de vergadering waarin de jaarrekening wordt vastgesteld in 2021. Met dividend worden gelijkgesteld andere winstuitkeringen aan derden buiten de groep. Indien de rechtspersoon, natuurlijke persoon of groep verplicht is op grond van een vaststellingsverklaring met de Belastingdienst of een wettelijke plicht om dividend uit te keren dan blijft dit toegestaan voor het gedeelte waarover de plicht geldt;

4.5. In de toelichting bij de NOW 1.2-regeling wordt het volgende gezegd met betrekking van de personen, die onder het bonusverbod vallen:

Bij bonussen zal dit beperkt worden tot de bonussen van het bestuur en de directie van de groepshoofd en de betreffende werkmaatschappij. Het strekt zich niet uit tot het overige personeel dat in het concern werkzaam is en dat mogelijk variabel beloond wordt via bonussen. Dit betekent voor DGA's/bestuurders en andere directieleden dat zij mogelijk slechts hun basisvergoeding ontvangen of hun gebruikelijk-loonregeling, vanwege het verbod om bonussen uit te keren. Onder bonussen worden zowel winstdelingen als andere bonusbetalingen verstaan. Dit verbod op bonusbetaling geldt alleen voor de directie en het bestuur van het concern en de werkmaatschappij die aanvraagt. Het geldt dus niet voor het overige personeel. Het concern dient zich hiervan bewust te zijn voor de aanvraag wordt gedaan en daarom uitdrukkelijk te verklaren zich aan deze verplichtingen te houden. De accountant onderzoekt dit en neemt de uitkomst van dit onderzoek op in de accountantsverklaring.

4.6. De NOW 1.2-regeling is opgevolgd door de NOW 2.0-regeling. In de toelichting van de minister op die regeling wordt met betrekking tot het begrip ' [functie 2] ' het volgende opgemerkt:

Het begrip bestuur, directeur (of management) dient breed te worden opgevat. De registratie in de Kamer van Koophandel is hierbij niet doorslaggevend, ook niet of de betrokken personen beslissend en/of tekeningbevoegd zijn. Bestuursleden, directieleden of leden van het management die het beleid bepalen behoren tot het bestuur, directie of management en vallen daarmee onder deze bepaling. De interne naam die hieraan wordt gegeven is niet relevant.

4.7. Weliswaar gaat het in deze procedure om een uitleg van de NOW 1.2-regeling en is de NOW 2.0-regeling de opvolger daarvan en zijn de beide regelingen dus strikt genomen niet volledig ťťn-op-ťťn met elkaar gelijk te stellen, maar het bonusverbod is in de NOW 2.0-regeling niet inhoudelijk gewijzigd ten opzichte van de NOW 1.2-regeling. Daarmee kan de uitleg in de toelichting van de minister op de NOW 2.0-regeling op het begrip 'bestuur/directie' gezien worden als een verdere evolutie van de uitleg van hetzelfde begrip en daarmee kan aan die uitleg ook betekenis toekomen voor de uitleg van de NOW 1.2-regeling, die het onderwerp van deze procedure is.

4.8. Partijen verschillen erover van mening of [verzoeker] bij [naam B.V.] beleidsbepaler is of is geweest. Naar het oordeel van de kantonrechter kan daarover in ieder geval zolang [verzoeker] bij [naam B.V.] de statutaire functie van bestuurder had, dat wil dus zeggen in de periode 1 januari 2009 tot 8 januari 2020, geen twijfel over bestaan. In die periode was hij immers statutair bestuurder en was hij bevoegd alleen en zelfstandig [naam B.V.] te 'besturen'. Daarmee staat vast dat hij in die periode ook beleidsbepaler bij [naam B.V.] was. Dat blijkt overigens ook uit zijn arbeidsovereenkomst, waaruit (bijvoorbeeld) blijkt dat hij verantwoordelijk was voor de in- en verkoop, het personeelsbeleid en het 'zelfstandig besturen van het beveiligingsbedrijf'.

4.9. Per 8 januari 2020 staat [verzoeker] echter niet langer bij de Kamer van Koophandel als (alleen/zelfstandig bevoegd) bestuurder van [naam B.V.] ingeschreven. Anders dan gebruikelijk bij een statutair ontslag van een bestuurder is daarmee niet tegelijkertijd (ook) een einde gekomen aan zijn arbeidsovereenkomst bij [naam B.V.] . Van beide zijden wordt daarbij gesteld dat de inschrijving van [verzoeker] als bestuurder van [naam B.V.] is ingetrokken in verband met zijn arbeidsongeschiktheid. Ofschoon een en ander niet uit deze procedure blijkt kan het feit dat niet tegelijkertijd met het ontslag van [verzoeker] als statutair bestuurder ook de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] is beŽindigd heel wel te maken hebben met het opzegverbod van de arbeidsovereenkomst tijdens ziekte (artikel 7:670 lid 1 BW).

4.10. Hoe het ook zij, niet alleen heeft [verzoeker] sinds 8 januari 2020 niet langer zijn statutaire bevoegdheden, ook is tussen partijen niet in geschil dat [verzoeker] vanwege zijn arbeidsongeschiktheid niet langer de beleidsbepalende taken, zoals die zijn gedefinieerd in zijn arbeidsovereenkomst, uitoefent of kan uitoefenen. Daarmee is [verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter in ieder geval (formeel) sinds 8 januari 2020 niet langer beleidsbepaler bij [naam B.V.] , maar was hij dat feitelijk over geheel 2020 niet meer. In die zin is [verzoeker] 'overig personeel' geworden (zie de vierde zin van onder van de toelichting op de NOW 1.2-regeling), waarvoor het bonusverbod niet geldt.

4.11. Waar wellicht uit de toelichting van de minister op de NOW 1.2-regeling nog onduidelijk was of het bonusverbod zich ook uitstrekte over titulair directeuren (zonder de statutaire functie van bestuurder) komt de kantonrechter in combinatie met de uitleg van de minister op de NOW 2.0-regeling, toegepast op het zeer specifieke geval van [verzoeker] tot het oordeel dat het bonusverbod niet op hem van toepassing is en dat [naam B.V.] gehouden is [verzoeker] ook over de relevante periode in 2020 de bonus van
€ 2.500,00 bruto per kwartaal te blijven betalen. De kantonrechter zal het verzoek van [verzoeker] toewijzen.

4.12. Als de in het ongelijk gesteld partij zal [naam B.V.] worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] .

5 De beslissing


De kantonrechter:

- bepaalt dat de NOW 1.2-regeling (Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 mei 2020, 2020-0000061139) niet verbiedt om dor [naam B.V.] ook in het jaar 2020 aan [verzoeker] uit te betalen een kwartaalbedrag van
€ 2.500,00 bruto en bepaalt dat aan [verzoeker] ook over het jaar 2020 onverkort een betaling van € 2.500,00 bruto toekomt;

- veroordeelt [naam B.V.] in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] , begroot op
€ 1.043,00 waarvan € 960,00 vanwege salaris gemachtigde;

- verklaart deze beschikking met betrekking tot de proceskostenveroordeling van [naam B.V.] uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beschikking is gegeven door mr. C.W.D. Bom en op 11 december 2020 en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Datum 20201211