FutD - archief
Print

Nummer fida20207098
Kenmerk Rechtbank Den Haag 3 december 2020 SGR20/3724
Titel Vergissing in NOW-aanvraag over aanvang meetperiode niet te herstellen
Samenvatting Chinees Indisch restaurant vof X diende op 8 april 2020 een aanvraag in op grond van NOW 1.0 in verband met een verwacht omzetverlies van 100% vanaf 1 april 2020. Bij besluit van 11 april 2020 kreeg X een tegemoetkoming van € 18.227 uitgaande van het verwachte omzetverlies over de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020 op basis van de loonsom in het aangiftetijdvak januari 2020. X maakte bezwaar, maar de inspecteur wees dat af omdat het niet mogelijk was om een aanvraag na afgifte van het primaire besluit aan te vullen of te wijzigen. Dit betekent dat de aanvangsdatum van de meetperiode 1 april 2020 bleef. X ging in beroep en herhaalde dat in de aanvraag per vergissing 1 april 2020 als aanvangsdatum van de meetperiode was vermeld in plaats van 1 maart 2020. Rechtbank Den Haag stelde X in het ongelijk. Uit de toelichting bij de NOW 1.0 bleek dat werkgevers flexibiliteit hadden bij de keuze van de meetperiode waarover de omzetdaling zich moest voordoen. Die keuze moest bij de aanvraag worden gemaakt en kon bij de definitieve afrekening niet meer worden aangepast. De NOW 1.0 was volgens de Rechtbank een strenge regeling die geen ruimte bood om een aanvraag achteraf te corrigeren. Er was volgens de toelichting van de inspecteur op de zitting alleen ruimte om af te wijken van de bepalingen uit de NOW 1.0 wanneer sprake was van een puur administratieve belemmering, die buiten de risicosfeer viel van de ondernemer die de aanvraag had ingediend. Hieraan deed niet af dat het aanvraagformulier was ingevuld door een administratiekantoor; de fout van het administratiekantoor kwam voor rekening en risico van X. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.
Tekst

Zaaknummer: SGR 20/3724

Uitspraak

Eerste aanleg - meervoudig

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/3724

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 december 2020 in de zaak tussen

Chinees Indisch Restaurant Wing Wah V.O.F., gevestigd te Den Haag, eiseres

(gemachtigde: mr. M.P. de Witte),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigden: mr. J.J. Grasmeijer en mr. M.C. Puister).

Procesverloop


Bij besluit van 11 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een tegemoetkoming op grond van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW 1.0) toegekend ten bedrage van € 18.227,-, waarvan € 14.583,- als voorschot.

Bij besluit van 20 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 2 juli 2020 en 22 september 2020 heeft eiseres aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen


1.1 Op 8 april 2020 heeft eiseres een aanvraag gedaan op grond van de NOW 1.0 in verband met een verwacht omzetverlies van 100% vanaf 1 april 2020. Bij de aanvraag heeft eiseres een kopie van de bankafschriften van de ondernemersrekening van eiseres over de periode van 1 januari 2019 tot en met 3 januari 2019 gevoegd.

1.2 Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres een tegemoetkoming toegekend van € 18.227,-. Hiervan wordt € 14.583,- als voorschot uitbetaald. Voornoemde bedragen zijn berekend op basis van het verwachte omzetverlies over de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020. Verweerder is daarbij uitgegaan van de loonsom in het aangiftetijdvak januari 2020. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het niet mogelijk is om een aanvraag na afgifte van het primaire besluit aan te vullen of te wijzigen. Het nadien wijzigen van de periode waarover verzocht is om een tegemoetkoming, wordt gelijkgesteld met het indienen van een nieuwe aanvraag. De NOW 1.0 biedt deze mogelijkheid niet. De NOW 1.0 is immers een noodmaatregel die opgesteld is om verweerder de mogelijkheid te bieden om in korte tijd een grote hoeveelheid aanvragen te beoordelen. De mogelijkheid om een aanvraag later te wijzigen of aan te vullen zou de uitgangspunten van de NOW 1.0 in gevaar brengen. Het is daarom niet mogelijk om af te wijken van de regeling. Dit betekent dat de aanvangsdatum van de meetperiode naar aanleiding van het bezwaar niet wijzigt en 1 april 2020 blijft.

3. In beroep herhaalt eiseres dat in de aanvraag abusievelijk 1 april 2020 als aanvangsdatum van de meetperiode is vermeld in plaats van 1 maart 2020. De boekhouder heeft bij het invullen van het aanvraagformulier over het hoofd gezien dat over de maand maart 2020 ook al sprake was van fors omzetverlies, omdat het restaurant op last van de overheid op 15 maart 2020 is dichtgegaan. Nadat eiseres kennisnam van het primaire besluit heeft zij direct contact opgenomen met verweerder om aan te geven dat de gekozen meetperiode april tot en met juni niet juist is en dat het de bedoeling was om een tegemoetkoming aan te vragen over de meetperiode maart tot en met mei. Er is daarmee geen sprake van het achteraf kiezen voor een voordelige(re) meetperiode. Toen het verzoek tot aanpassing in april werd ingediend, moest immers nog blijken wat de omzetdaling over de desbetreffende maanden zou zijn. Er is ook geen sprake van een verzoek tot wijziging dat gelijkgesteld moet worden met het indienen van een nieuwe aanvraag. Het is slechts een verzoek tot aanpassing als gevolg van een vergissing. De NOW 1.0 is bedoeld om werkgevers te compenseren voor een aantoonbare omzetdaling. Uit de regeling volgt niet dat het niet mogelijk is om een tijdig gemelde kennelijke vergissing te herstellen. Het betreft namelijk enkel een administratieve wijziging. Ter onderbouwing van haar beroep heeft eiseres twee berekeningen van de hoogte van de tegemoetkoming verstrekt. In de eerste berekening is de periode maart tot en met mei als meetperiode gehanteerd en in de tweede berekening de periode april tot en met juni. De eerste berekening resulteert in een hogere tegemoetkoming. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres tegen die achtergrond benadrukt dat het belang van haar beroep dan ook is gelegen in de gunstiger uitkomst voor de uiteindelijke toekenning, indien bij de berekening een aanvangsdatum van 1 maart 2020 wordt gehanteerd.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. Ingevolge artikel 4 van de NOW 1.0, voor zover hier van belang, kan de Minister aan een werkgever, die gedurende een aaneengesloten periode van drie kalendermaanden in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 juli 2020 verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2020.

Ingevolge artikel 8, derde lid, van de NOW 1.0 kan de werkgever eenmaal per loonheffingennummer een subsidieaanvraag indienen.

Uit het vierde lid, sub c, volgt dat in de subsidieaanvraag in ieder geval vermeld wordt in welke aaneengesloten periode van drie kalendermaanden binnen de periode van 1 maart tot en met 31 juli 2020 de werkgever een omzetdaling verwacht.

6. De rechtbank stelt vast dat het geschil enkel betrekking heeft op de aanvangsdatum van de meetperiode. Partijen houdt verdeeld de vraag of deze aanvangsdatum naderhand nog gewijzigd kan worden.

7.1 In het verweerschrift geeft verweerder aan dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om de aanvrager per loonheffingennummer eenmalig de mogelijkheid te bieden een aanvraag in te dienen. Volgens verweerder is het aan de aanvrager om de juiste gegevens op de aanvraag te vermelden en is het niet mogelijk om deze later te corrigeren.

7.2 De rechtbank volgt verweerder hierin. Uit de toelichting bij de NOW 1.0 volgt immers dat de wetgever aan werkgevers flexibiliteit heeft geboden bij het kiezen van de meetperiode waarover de omzetdaling zich moet voordoen vanwege het zogenoemde na-ijleffect (het effect dat een terugval in de vraag of productie niet onmiddellijk in een terugvallende omzet tot uitdrukking komt).1 De keuze voor de meetperiode moet bij de aanvraag gemaakt worden; bij de definitieve afrekening kan de meetperiode niet meer worden aangepast.2 Ook in de toelichting bij artikel 4 wordt benadrukt dat het aan de werkgever is om bij de aanvraag aan te geven welke drie aaneengesloten kalendermaanden als meetperiode gebruikt moeten worden.3 Voorts blijkt uit de toelichting dat bij de NOW 1.0 ervoor gekozen is om de eenvoud en de controleerbaarheid als prioriteit te stellen.4 Ten slotte wordt in de toelichting aangegeven dat de snelheid waarmee de noodmaatregel tot stand is gekomen, impliceert dat mogelijk zaken over het hoofd zijn gezien en dat de regeling onvoorziene consequenties kan hebben die achteraf niet gerepareerd kunnen worden. Dit hangt samen met de noodzaak van het op zeer korte termijn beschikbaar stellen van voorschotten en de consequentie daarvan dat de definitieve subsidie achteraf wordt vastgesteld door het Uwv.5

7.3 Uit het voorgaande volgt dat de NOW 1.0 een strenge regeling is die geen ruimte biedt om een aanvraag achteraf te corrigeren. De ter zitting door de gemachtigde van eiseres naar voren gebrachte stelling, namelijk dat in de bezwaarfase altijd een volledige heroverweging dient plaats te vinden, maakt dit niet anders. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder namelijk toegelicht dat er enkel ruimte is om af te wijken van de bepalingen uit de NOW 1.0 wanneer sprake is van een puur administratieve belemmering, die buiten de risicosfeer valt van de ondernemer die de aanvraag heeft ingediend. In dit geval is geen sprake van een dergelijke belemmering maar veeleer van voortschrijdend inzicht, aldus verweerder. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder op dit punt niet te volgen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat eiseres zelf verantwoordelijk is voor een juiste invulling van het aanvraagformulier, ook wanneer zij daarbij gebruikt maakt van een administratiekantoor. De door het administratiekantoor gemaakte fout komt dan ook voor rekening en risico van eiseres. Voorts is in dit verband terecht door verweerder benadrukt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen geen hardheidsclausule op te nemen in de NOW 1.0. De rechtbank stelt vast dat een dergelijke clausule ook naderhand niet alsnog in de regeling is opgenomen, ondanks het feit dat de NOW 1.0 reeds meermaals is gewijzigd. De rechtbank ziet in hetgeen in beroep is aangevoerd dan ook geen aanleiding te oordelen dat verweerder in de besluitvorming onjuiste toepassing heeft gegeven aan de onderhavige regeling.

8. Het beroep is dan ook ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.M. Harms, voorzitter, en mr. D.R. van der Meer en
mr. E.E. Schotte, leden, in aanwezigheid vanmr. R.A.E. Bach, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2020.

griffier voorzitter


Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1 Zie Stcrt. 2020, 19874, p. 12.

2 Idem.

3 Zie Stcrt. 2020, 19874, p. 20-21.

4 Stcrt. 2020, 19874, p. 12.

5 Stcrt. 2020, 19874, p. 16.

Datum 20201203