Niet-aangetekend versturen naheffingsaanslagen kwam fiscus duur te staan

Datum: 19 januari 2015

BV X verrichtte in 2003 en 2004 werkzaamheden in de tuinbouw. De aandelen BV X waren eigendom van de in Polen wonende A. In mei 2006 kondigde de inspecteur een boekenonderzoek aan, dat in september 2006 startte. Toen dat boekenonderzoek begin 2007 zou worden vervolgd, stelde A de administratie van BV X niet meer ter beschikking. Na een briefwisseling werd in mei 2008 het boekenonderzoek voortgezet. Vooruitlopend op de definitieve resultaten legde de inspecteur ter behoud van rechten naheffingsaanslagen BTW op over 2003 (ruim € 1,7 mln) en 2004 (ruim € 1,9 mln) met vergrijpboeten van 50%. BV X ging in beroep en stelde dat de naheffingsaanslagen niet binnen de naheffingstermijn van artikel 20, lid 3, AWR waren opgelegd en daarom moesten worden vernietigd. Zij stelde dat de naheffingsaanslagen – die waren gedateerd op respectievelijk 24 december 2008 en 24 december 2009 – pas op respectievelijk 15 januari 2009 en 7 januari 2010 door haar waren ontvangen. Dit duidde er volgens BV X op dat de aanslagbiljetten niet uiterlijk op 31 december 2008 respectievelijk 31 december 2009 ter post waren bezorgd. Hof Arnhem-Leeuwarden besliste dat bij niet-aangetekende verzending van een poststuk, zoals hier het geval was, de gevolgen van de onduidelijkheid over de verzenddatum voor rekening van de verzender kwam. Wat de inspecteur had aangevoerd, was volgens het Hof onvoldoende om te concluderen dat de aanslagbiljetten tijdig ter post waren bezorgd. Vaststond dat niet afzonderlijk aantekening was gemaakt van het feit dat de aanslagbiljetten daadwerkelijk ter post waren bezorgd. De verzending van poststukken was een geautomatiseerd proces en de betrouwbaarheid van het administratieve systeem was gebaseerd op onder meer steekproeven en een accountantsverklaring. Omdat de inhoud van de verklaringen niet bekend was, waren het Hof geen gegevens bekend over het percentage van daadwerkelijk verzonden poststukken. Het Hof besliste dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de naheffingsaanslagen uiterlijk op respectievelijk 31 december 2008 en 31 december 2009 ter post waren bezorgd. De naheffingsaanslagen moesten daarom volgens het Hof worden vernietigd. Het Hof verklaarde het hoger beroep van BV X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 04-12-2020