Revisierente onzuivere pensioenregeling vernietigd

Datum: 31 augustus 2011

X was DGA van BV A. In december 1993 was aan X een ouderdomspensioen toegezegd dat inging op 1 september 2006. In december 2002 werd het salaris van X met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2002 verhoogd van € 46.230 tot € 160.000 per jaar. In verband met de extra last in verband met de verhoging van de pensioenvoorziening verklaarde X zich bereid de pensioengerechtigde leeftijd uit te stellen tot zijn 62-jarige leeftijd. Op 18 april 2003 troffen X en BV A een pensioenregeling en legden die vast in een pensioenbrief. De inspecteur stelde dat de pensioenregeling van X in 2002 onzuiver was geworden omdat binnen vijf jaar voorafgaand aan de pensioeningangsdatum het salaris van X meer dan met algemene loonindexen was gestegen en die salarisstijging bij de pensioenopbouw was meegenomen. De inspecteur legde aan X een navorderingsaanslag IB 2002 op en bracht bij beschikking € 473.540 aan revisierente in rekening. Rechtbank Haarlem besliste dat een pensioenopbouw over salarisstijgingen van circa € 45.000 naar € 160.000 naar maatschappelijke opvattingen niet als redelijk kon worden beschouwd. De pensioenregeling was in 2002 onzuiver geworden en de inspecteur had de gehele aanspraak terecht op grond van artikel 11c Wet LB als loon uit vroegere dienstbetrekking in de heffing betrokken. De revisierente was in rekening gebracht op grond van artikel 30i, lid 1, onderdeel a, AWR. Die met ingang van 1 januari 2001 ingevoerde bepaling verwees naar de pensioenaanspraken die tot het loon werden gerekend op grond van artikel 19b Wet LB. De pensioenaanspraak van X was echter op grond van artikel 38b Wet LB in verbinding met artikel 11c Wet LB (tekst tot 1 juni 1999) in de heffing betrokken. Bij de invoering van artikel 38b Wet LB op 1 juni 1999 was uitsluitend voorzien in overgangsrecht voor de bepalingen 11, 11b, 11c en 11d Wet LB. Het overgangsrecht voorzag er volgens de Rechtbank niet in dat artikel 30i, lid 1, AWR ook van toepassing was op pensioenaanspraken die op grond van artikel 11c Wet LB tot het loon werden gerekend. Er was volgens de Rechtbank geen rechtsgrond voor het in rekening brengen van € 473.500 aan revisierente. De Rechtbank vernietigde de beschikking revisierente.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022