Heffing over doorgeschoven pachtersvoordelen niet verder uit te stellen

Datum: 26 augustus 2011

X trad in 1993 toe tot de door zijn vader en oom in firmaverband gedreven veehouderij. De door de vader en oom voorbehouden onroerende zaken werden daarna verpacht aan de v.o.f. Op een van de onroerende zaken rustte bij de vader en oom eerste pachtersvoordelen. In 2000 werd de v.o.f. ontbonden. De onroerende zaken werden aan X verkocht, die de veehouderij per 1 januari 2001 in een firma met zijn vrouw voortzette. De pachtersvoordelen werden met toepassing van een besluit van 4 december 2000 zonder afrekening bij de vader en oom doorgeschoven naar X en zijn echtgenote. In 2002 kocht het echtpaar onroerende zaken voor hun onderneming en verkochten zij de van hun vader en oom gekochte onroerende zaken. De inspecteur stelde dat het doorgeschoven pachtersvoordeel tot de winst van 2002 moest worden gerekend, maar volgens X hoefde het doorgeschoven pachtersvoordeel niet vrij te vallen, omdat de grond waarop het pachtersvoordeel was ontstaan de onderneming weliswaar had verlaten, maar nieuwe grond was verworven die de verkochte grond verving. Hof Den Haag besliste in navolging van Rechtbank Den Haag dat er geen reden was voor een verder doorschuiven, omdat het pachtersvoordeel geen activum was en daarop de ruilgedachte, de ruilarresten en het regime van de herinvesteringsreserve niet van toepassing waren. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X en zijn vrouw ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.