Staatssecretaris wil verduidelijking Hoge Raad over motivering KB Lux-boeten

Datum: 26 augustus 2011

X ging in beroep tegen navorderingsaanslagen IB over 1990-2000 en VB 1991-2000 met boeten van 100%, die aan hem waren opgelegd, omdat hij volgens de inspecteur een bankrekening bij de KB Lux in Luxemburg had aangehouden. X ontkende dat hij een rekening bij de KB Lux had gehad. Hof Den Haag handhaafde de navorderingsaanslagen. Het Hof verminderde wel de boeten met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn. X ging in cassatie. De staatssecretaris concludeert in zijn verweerschrift in cassatie dat het cassatieberoep van X gegrond moet worden verklaard en verwijst daarvoor naar het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011. waarin is beslist dat de bewijslast ten aanzien van de boete op de inspecteur rust. De staatssecretaris vindt het in het kader van de eerste ervaringen in de verwijzingsprocedures wenselijk dat de Hoge Raad een verduidelijking geeft op het punt van de in het arrest van 15 april 2011 opgenomen motivering dat nader bewijs voor de onderbouwing van de boete ontleend kan worden aan ervaringsregels. Enerzijds mogen gegevens van meewerkers volgens de Hoge Raad niet gebruikt worden omdat daaruit voor beboetingsdoeleinden geen definitieve conclusie omtrent het individu te trekken zou zijn, anderzijds mogen ervaringsregels wel gebruikt worden om een conclusie omtrent het individu te trekken. Dit zou volgens de staatssecretaris kunnen betekenen dat per jaar beoordeeld moet worden of het percentage personen dat ook in dat jaar nog een rekening had, voldoende groot is om ook ten aanzien van dat jaar een gerechtvaardigd vermoeden te doen ontstaan dat ook een individu in dat jaar nog een rekening had. De staatssecretaris is van mening dat in ieder geval bij een percentage hoger dan 75% een dergelijke ervaringsregel ook voor beboetingsdoeleinden gebruikt zou mogen worden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.