Boete wegens te lage bijtelling privégebruik ingevoerde auto vernietigd

Datum: 25 augustus 2011

BV A deed in maart 2007 aangifte BPM in verband met de registratie van een gebruikte Volvo uit het buitenland. De oorspronkelijke consumentenprijs inclusief BTW en BPM bedroeg € 55.115 en de herrekende bruto BPM € 10.448. In juni 2007 werd de Volvo op naam van BV X gezet en ter beschikking gesteld aan de DGA van BV X. BV X berekende de waarde van de auto voor de bijtelling privégebruik aan de hand van de op het kentekenbewijs vermelde bruto BPM van € 10.448 op € 41.653. De inspecteur stelde dat de waarde van de auto € 55.155 was en legde een naheffingsaanslag LB op met een boete van 25%. BV X ging in beroep. Rechtbank Breda besliste dat de voor Nederland geldende consumentenprijs met inbegrip van BTW en BPM naar het prijspeil op het moment van eerste toelating tot het verkeer bepalend was voor bijtelling privégebruik. De Volvo was in september 2006 voor het eerst tot het verkeer toegelaten. Dat het een eerste toelating in het buitenland betrof en dat de auto niet eerder dan in 2007 in Nederland was geregistreerd, was niet relevant. De Rechtbank besliste dat de inspecteur een waarde van € 54.465 aannemelijk had gemaakt. De kosten van het rijklaar maken, de kentekenkosten en de verwijderingsbijdrage bleven buiten aanmerking. De Rechtbank verminderde de naheffingsaanslag en vernietigde de boete, omdat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat BV X grove schuld kon worden verweten. Voorzover BV X al een verwijt kon worden gemaakt, hield dit in dat zij zondermeer had aangenomen dat de werkelijke waarde op het moment van invoer bepalend was voor het privégebruik. Dit impliceerde enige schuld, maar was volgens de Rechtbank onvoldoende voor grove schuld.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.