Kapitaalsbelasting onterecht omdat geen sprake was van informeel kapitaal

Datum: 24 augustus 2011

De aandelen van BV X werden voor 72% rechtstreeks en voor de overige 28% indirect gehouden door de naar Zweeds recht opgerichte Y AB. Op 1 december 2005 kwam BV X met Y AB vijf "limited partnership agreements" overeen. Daarbij werden vijf Kommandit Bolagets (KB) opgericht, die in Zweden waren gevestigd. Op 2 december 2005 verkocht Y AB onroerende zaken en droeg deze over aan de vijf KB’s. BV X gaf in de aangifte kapitaalsbelasting aan dat in verband met haar 99,9% belang in de KB door de inbreng van de onroerende zaken aan haar een informele kapitaalstorting van ruim SEK 1,1 mrd toegerekend kon worden. De kapitaalsbelasting bedroeg volgens BV X ruim SEK 6,5 mln ( € 687.435). Op 16 december 2005 werden de belangen in de KB’s overgedragen aan een derde (Z Real Estate). BV X ging in beroep en stelde dat zij recht had op de afgedragen kapitaalsbelasting omdat de KB’s kapitaalvennootschappen waren in de zin van artikel 3 Richtlijn kapitaalsbelasting en slechts op het niveau van de KB’s in Zweden kapitaalsbelasting kon worden geheven. Rechtbank Haarlem verklaarde het beroep van BV X ongegrond maar Hof Amsterdam verklaarde het hoger beroep van BV X gegrond. Het Hof besliste dat de KB’s onder de omschrijving van artikel 3, lid 2, Richtlijn kapitaalsbelasting vielen. Daarmee waren de KB’s kapitaalvennootschappen. Het Hof was het niet eens met de inspecteur dat de Zweedse KB’s voor het Nederlandse fiscale recht geen in aandelen verdeeld kapitaal hadden. Het stond vast dat Y AB op 2 december 2005 panden had ingebracht in de KB’s tegen een waarde die aanzienlijk lager was dan de waarde in het economische verkeer. Deze inbreng viel volgens het Hof onder de aan het kapitaalrecht onderworpen verrichtingen, waardoor de inbreng in beginsel alleen kon worden belast bij de KB’s. Dat Zweden geen kapitaalrecht hief, was volgens het Hof niet van belang. De inbreng kon niet meer bij een andere vennootschap, in dit geval bij BV X, worden belast. Het Hof besliste verder dat het arrest Senior BV van het Europese Hof van toepassing was. Uit dit arrest volgde dat slechts in uitzonderlijke gevallen niet geheven kon worden van de kapitaalvennootschap waarvoor de betrokken inbreng was bestemd. Het Hof besliste dat de KB’s waren opgericht en de panden daarin waren ingebracht met als enige doel om de verkoopwinst van de panden zonder heffing van Zweedse belasting en zonder heffing van dividendbelasting ten goede te laten komen aan Y AB. Het bedrag dat BV X van Z Real Estate had ontvangen voor de overdracht van de belangen in de KB’s was door BV X doorbetaald aan haar aandeelhouders. In de manier waarop de verkoop van de panden juridisch was vormgegeven zag het Hof geen aanleiding om te concluderen dat het nooit de bedoeling was geweest van de aandeelhouders van BV X om een informele kapitaalstorting aan BV X te laten toekomen. Dit bracht volgens het Hof mee dat BV X niet kon worden gezien als de "werkelijk begunstigde" van de stille reserves. Hieruit volgde dat bij BV X geen kapitaalsbelasting kon worden geheven en dat de inspecteur ten onrechte het verzoek om teruggave had afgewezen. Het Hof besliste dat de kapitaalsbelasting van € 687.435 aan BV X moest worden terugbetaald. (De uitspraak werd ons toegezonden door Wolfsbergen & Osnabrug Belastingadviseurs en Accountants te Weert, -red.)

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.