Rente op in r/c schuldig gebleven dividenduitkeringen was niet aftrekbaar

Datum: 15 augustus 2011

De aandelen van BV X waren op 1 januari 2004 in handen van BV Y. Door overdracht van 40% van de aandelen BV X op 9 december 2005 waren er vanaf die datum vier medeaandeelhouders die ieder 10% van de aandelen hielden. BV X bleef dividenduitkeringen aan BV Y en de overige aandeelhouders schuldig en had deze schuld in r/c geboekt. Over de schuld was rente berekend. Verder was aan BV X door de NMA een boete opgelegd van € 56.216. In verband hiermee had BV X in 2006 € 8.280 aan juridische kosten gemaakt. Toen de inspecteur de rente over de schuldig gebleven dividenden, de boete en de advieskosten niet in aftrek toeliet, ging BV X in beroep. BV X stelde dat de aftrekbeperking van rente tot dubbele heffing leidde. Rechtbank Den Haag besliste dat de thincapregeling van artikel 10d Wet Vpb was gericht op het tegengaan van onderkapitalisatie van groepsvennootschappen. Dat door toepassing van de thincapregeling in een geval als dit dubbele heffing optrad, was door de wetgever aanvaard, onder meer omdat daarvan een door de wetgever gewenst geachte preventieve werking uitging. Om die reden bevatte de thincapregeling volgens de Rechtbank geen tegenbewijsregeling. De in r/c geboekte dividenduitkeringen vormden een geldlening als bedoeld in artikel 10d, lid 1, Wet Vpb. De Rechtbank besliste verder dat de NMA-boete en de juridische advieskosten niet aftrekbaar waren en verwees daarbij naar een arrest van 7 januari 2011.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.