Betalingsonmacht hoefde pas na aanmaning te worden gemeld

Datum: 12 augustus 2011

Nadat BV A op 4 juni 2007 tot betaling van naheffingsaanslagen was aangemaand, bracht zij de ontvanger op 19 juni 2007 schriftelijk op de hoogte van haar betalingsonmacht. De ontvanger stelde haar bestuurder X vervolgens aansprakelijk voor de door BV A onbetaald gelaten belastingen. X ging in beroep en stelde dat vóór de ontvangst van de aanmaning nog geen sprake was van betalingsonmacht, maar van een computertechnisch probleem. Rechtbank Arnhem besliste dat pas sprake was van betalingsonmacht op het moment dat X de aanmaning ontving tot betaling van de naheffingsaanslag en toen had hij die binnen twee weken gemeld. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond. Hof Arnhem besliste echter dat de belastingschuldige slechts de keuze had tussen tijdig betalen of melden dat hij niet tot betalen in staat was. De betalingsonmacht was te laat gemeld en het was niet aannemelijk geworden dat dat niet aan X te wijten was geweest. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de ontvanger gegrond. X ging in cassatie. De Hoge Raad was het met X eens dat uit het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2011 volgde dat het Hof ten onrechte had beslist dat de meldingsplicht in alle gevallen gold waarin door een belastingschuldige (om wat voor reden ook) niet tijdig werd betaald. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Volgens de Hoge Raad was de Rechtbank uitgegaan van een juiste rechtsopvatting omtrent de omstandigheden waaronder de betalingsonmacht moest worden gemeld en had de ontvanger die beslissing in hoger beroep niet bestreden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.