Middellijk aandeelhouder na faillissement niet meer in dienstbetrekking

Datum: 8 augustus 2011

X was enig aandeelhouder en bestuurder van BV A, die op haar beurt enig aandeelhouder en statutair bestuurder was van BV B. X was sinds 2004 op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaam voor BV B als directeur. In april 2008 werd BV B op eigen aangifte failliet verklaard. X vorderde daarna bij de curator doorbetaling van zijn loon. Die vordering moest volgens X als boedelvordering worden erkend. De curator stelde dat van een arbeidsovereenkomst geen sprake was omdat een gezagsverhouding tussen X en BV B ontbrak. X ging tevergeefs in beroep. Hof Leeuwarden besliste in navolging van Rechtbank Leeuwarden dat er in dit geval reden bestond voor relativering van de arbeidsovereenkomst die X als (middellijk) enig aandeelhouder met BV B had gesloten, ook al was niet hijzelf, maar zijn holding BV A statutair directeur. X had als enig aandeelhouder alle touwtjes in handen en presenteerde zich ook naar buiten onmiskenbaar als de eigenaar van de onderneming. Vanaf het moment dat hij de facto zelf het faillissement van zijn vennootschap had aangevraagd, waren er volgens het Hof geen redenen meer om zijn verhouding tot de failliete vennootschap aan te merken als een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 40 Faillissementswet. Van een gezagssituatie en afhankelijke positie als werknemer was geen sprake geweest en met het uitspreken van het faillissement was de bestuursmacht van X feitelijk beƫindigd.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.