Voorziening na garantstelling voor krediet van zuster-BV was niet mogelijk

Datum: 5 augustus 2011

BV A en BV B richtten in maart 2006 gezamenlijk BV C op. BV B stelde vervolgens aan BV C een kredietfaciliteit ter beschikking van € 1,5 mln. BV X, een 100% dochter van BV A stelde zich daarbij garant tot een maximumbedrag van € 100.000. Het verlies van BV C bedroeg in 2006 € 747.370, terwijl een verlies was begroot van € 371.526. Op 31 december 2006 had BV C van de kredietfaciliteit een bedrag van € 828.904 opgenomen. BV X vormde in haar aangifte Vpb 2006 een voorziening van € 100.000 in verband met de afgegeven garantstelling. De inspecteur weigerde de voorziening, waarop BV X in beroep ging. Rechtbank Haarlem besliste echter dat BV X niet aannemelijk had gemaakt dat er op 31 december 2006 een redelijke mate van zekerheid bestond dat zij aangesproken zou worden uit hoofde van de garantstelling. De enkele budgetoverschrijding in het jaar van oprichting van BV C was daarvoor onvoldoende. Verder was niet gebleken dat BV C er zo slecht voor stond dat er een reĆ«le mogelijkheid bestond dat BV X zou worden aangesproken. Het door BV C opgestarte project had weliswaar vertraging opgelopen, maar het was niet aannemelijk dat het slecht ging met het project of dat er plannen waren om te stoppen. BV X kon geen voorziening vormen. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.