Forensenbelasting was geen ongeoorloofde staatssteun aan ingezetenen

Datum: 4 augustus 2011

Mevrouw X ging met een waslijst aan argumenten in beroep tegen een aanslag forensenbelasting. Rechtbank Den Haag verwierp al haar stellingen en wees daarbij in eerste instantie op een arrest van 9 november 2001 waarin de Hoge Raad had beslist dat een gemeente aan niet-ingezetenen, naast andere gemeentelijke heffingen, een aanslag forensenbelasting mocht opleggen, en dat daarbij geen sprake was van een ongeoorloofde ongelijke behandeling ten opzichte van ingezetenen. Verder was volgens de Rechtbank geen sprake van een situatie die binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht viel, zodat artikel 18 VwEU niet aan de orde was. De Rechtbank verwierp ook het beroep op de artikelen 20 en 21 van het Handvest EU, omdat de situatie niet binnen de werking van het Handvest viel. De Rechtbank verwierp vervolgens de stelling van mevrouw X dat door van niet-ingezetenen geen forensenbelasting te heffen, sprake was van een vorm van ongeoorloofde staatssteun aan ingezetenen. Bij staatssteun ging het volgens de Rechtbank om voordelen die werden verschaft aan een onderneming en die werden bekostigd met staatsmiddelen en daarvan was bij de heffing van forensenbelasting geen sprake. De heffing van forensenbelasting was tot slot ook niet in strijd met het communautaire evenredigheidsbeginsel. Het doel van de forensenbelasting was het genereren van inkomsten voor de overheid. Van de forensen vorderden gemeenten een bijdrage in de uitgaven, waarmee het ontbreken van een uitkering uit het gemeentefonds werd gecompenseerd. Het nadeel dat hierdoor voor woonforensen ontstond, was volgens de Rechtbank niet onevenredig in verhouding tot het met de heffing van forensenbelasting nagestreefde doel. De Rechtbank verklaarde het beroep van mevrouw X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.