Durfkapitaal voor dochter kon worden verrekend met overbedelingsschuld

Datum: 4 augustus 2011

Mevrouw X en haar echtgenoot Y verstrekten hun dochter in 2002 een lening van € 13.625, die was aangemerkt als een lening aan een beginnende ondernemer in de zin van artikel 5.17, lid 1, Wet IB 2011. In 2006 overleed Y. Hij liet zijn gehele nalatenschap na aan mevrouw X, die wegens overbedeling € 54.665 schuldig moest erkennen aan haar dochter. De schuld was opeisbaar bij overlijden van mevrouw X. In 2009 liet mevrouw X aan de inspecteur weten dat zij de lening kwijtschold, omdat haar dochter deze niet kon terugbetalen. De inspecteur stelde echter dat geen sprake was van een niet voor verwezenlijking vatbare lening, omdat mevrouw X de vordering kon verwezenlijken door die in mindering te brengen op de schuld wegens overbedeling. Rechtbank Den Haag was het daarmee eens. De vraag of een vordering wel of niet voor verwezenlijking vatbaar was, moest volgens de Rechtbank worden getoetst met uitschakeling van een persoonlijke verbondenheid van partijen. In een zakelijke verhouding was het niet goed denkbaar dat een crediteur die een vordering op een debiteur kwijtschold, daarbij diens schuldpositie ten opzichte van de crediteur ongemoeid liet. Daar deed niet aan af dat in dit geval de schuld van mevrouw X aan haar dochter van € 54.665 onder opschortende voorwaarde verschuldigd was en de vordering direct opeisbaar was. Mevrouw X was op grond van artikel 6:127, lid 1 en lid 2, BW ook bevoegd haar schuld aan haar dochter af te lossen. In zakelijke verhoudingen zou het volgens de Rechtbank voor de hand gelegen hebben dat mevrouw X aan haar dochter had verklaard dat zij haar schuld met de vordering verrekende. De schuld en de vordering gingen dan tot hun gemeenschappelijk beloop teniet. De Rechtbank verklaarde het beroep van mevrouw X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.