Aangaan f.e. leidde tot vrijvalwinst van schuld van € 14,9 mln

Datum: 3 augustus 2011

BV X had ultimo 2004 een schuld aan haar moedermaatschappij BV Y van € 14,9 mln. De vordering stond bij BV Y voor € 762 op de balans. Per 1 januari 2005 werd BV X opgenomen in de f.e. voor de Vpb van BV Y. De inspecteur stelde naar aanleiding daarvan dat de schuld van BV X aan BV Y direct vóór het voegingsmoment, per 31 december 2004, te boek moest worden gesteld voor de waarde waarvoor de vordering bij BV Y op de balans stond, waardoor op grond van artikel 15ad, lid 6, Wet Vpb een vrijvalwinst van bijna € 14,9 mln tot de winst van BV X in 2004 moest worden gerekend. Rechtbank Den Haag was het daarmee eens. De Rechtbank vond het aannemelijk dat de bedrijfswaarde van de vordering onmiddellijk voorafgaand aan de totstandkoming van de f.e. ten hoogste € 762 bedroeg. Een (mogelijk) hybride karakter van de vordering van BV Y stond aan de toepassing van artikel 15ab, lid 6, Wet Vpb niet in de weg en hetzelfde gold voor de door BV X gestelde omstandigheid dat de vordering niet ten laste van in Nederland belastbare winst was afgewaardeerd. Volgens de Rechtbank kon aan BV X worden toegegeven dat toepassing van artikel 15ab, lid 6, Wet Vpb in een geval als dit tot een onbillijke uitkomst kon leiden, maar de rechter kon de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet beoordelen. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.