HIR viel vrij wegens verkoop herinvesteringslichaam aan gelieerde BV

Datum: 3 augustus 2011

De aandelen van BV X waren in handen van stichting A. De oprichters en bestuurders van A waren de belastingadviseur van BV X en zijn echtgenote. Stichting A was tevens (middellijk) aandeelhouder van BV B. BV X beschikte ultimo 2004 over een herinvesteringsreserve (HIR) van ruim € 3,5 mln. Vanaf 21 december 2004 was Y enig aandeelhouder van BV X. Nadat BV X begin 2005 een stuk grond had verkocht en de daarmee behaalde boekwinst aan de HIR had toegevoegd, had zij geen activa meer. Op 28 augustus 2005 sloot Y namens BV X een overeenkomst met BV B tot koop van twee bedrijfsgebouwen. BV B werd daarbij vertegenwoordigd door een stichting waarvan de echtgenote van de adviseur van BV X de bestuurder was. Op 30 december 2005 verkocht Y zijn aandelen BV X aan BV C, een dochtermaatschappij van BV B. De inspecteur stelde dat de HIR eind 2005 moest vrijvallen, omdat BV X niet aannemelijk had gemaakt dat zij in 2005 een herinvestering had gedaan. BV X ging in beroep en stelde dat zij op 28 augustus 2005 een onvoorwaardelijke koopovereenkomst had gesloten, die kwalificeerde als het aangaan van een verplichting in de zin van artikel 3.54 Wet IB 2001. Rechtbank Arnhem besliste echter dat in het licht van artikel 15e Wet Vpb, dat meebracht dat bij een belangrijke wijziging van het uiteindelijke belang als hier aan de orde de HIR van de overgenomen vennootschap voorafgaand aan de aandeelhouderswisseling moest vrijvallen, het vermoeden gerechtvaardigd was dat de toekomstige aandeelhouder en bestuurder van BV X vrijval van de HIR had willen voorkomen door BV X te bewegen een koopovereenkomst te sluiten met een door hem beheerste vennootschap, te weten BV B, bij gebreke van beschikbare onroerende zaken. Volgens de Rechtbank had BV X dit vermoeden niet ontzenuwd, zodat de Rechtbank ervan uitging dat geen sprake was van een reële investering. Dat strookte volgens de Rechtbank met de koopovereenkomst op grond waarvan de koper pas na levering risico terzake van de onroerende zaken zou lopen en het risico voor de zittende aandeelhouder (Y) om voor de HIR van BV X aansprakelijk te worden gesteld, was uitgesloten. Verder strookte het ook met de omstandigheid dat BV X terzake van het niet-nakomen van de koopovereenkomst geen schadevergoeding had gevorderd van BV B. De Rechtbank concludeerde dat de inspecteur de HIR terecht tot de winst van 2005 had gerekend.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.