Vrijval HIR omdat uiteindelijk belang was gewijzigd vóór herinvestering

Datum: 2 augustus 2011

BV X vormde met haar 100% dochter-BV Y een f.e. voor de Vpb. De f.e. exploiteerde een autobedrijf in een bedrijfspand dat eigendom was van BV Y. Op 1 augustus 2005 verkocht BV Y het pand aan een derde. Voor de boekwinst vormde zij een herinvesteringsreserve (HIR). Op 25 november 2005 om 16.40 uur kocht BV Y twee panden van BV A, om 17.07 uur werden de aandelen BV Y verkocht en overgedragen aan BV A en om 17.13 uur werd de leveringsakte met betrekking tot de panden bij de notaris gepasseerd. De inspecteur stelde dat geen HIR kon worden gevormd, BV X ging in beroep. Rechtbank Haarlem besliste dat het uiteindelijke belang in BV Y in belangrijke mate was gewijzigd voordat de panden waren aangeschaft in de zin van artikel 3.54 Wet IB 2001, zodat de HIR op grond van artikel 15e, lid 1, a, Wet Vpb aan de winst moest worden toegevoegd op het moment direct voorafgaande aan de wijziging van het uiteindelijke belang. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.