Beperking verliesverrekening door lening aan moedermaatschappij

Datum: 28 juli 2011

BV X en BV Y hielden zich bezig met houdster- en financieringsactiviteiten. In juni 2004 verkochten BV X en BV Y hun aandelen in een Spaanse deelneming en leenden zij het verkoopbedrag grotendeels uit aan NV A, hun gezamenlijke moedermaatschappij op de Antillen. Het resultaat van BV X en BV Y bestond in 2004 en 2005 uitsluitend uit de op die leningen ontvangen rente. BV X en BV Y verrekenden hun winsten in 2004 en 2005 met tot 2003 geleden verliezen, maar de inspecteur stelde dat de verliesverrekeningsbeperking van artikel 20, lid 4, Wet Vpb van toepassing was. Rechtbank Haarlem besliste dat de houdsterverliesregeling ook van toepassing was op de voorwaartse verrekening van verliezen die waren ontstaan voor de invoering van de regeling per 1 januari 2004, hoewel deze verliezen in het jaar waarin ze waren geleden nooit waren ge√ętiketteerd als houdster- of financieringsverliezen. De verliesverrekeningsbeperking was volgens de Rechtbank van toepassing, omdat BV X en BV Y het verkoopbedrag van hun deelneming aan de Antilliaanse moeder hadden uitgeleend, en dat had geleid een verhoging van het saldo van gelieerde vorderingen en schulden. BV X en BV Y hadden volgens de Rechtbank ook niet bewezen dat de wijziging van het saldo niet in overwegende mate was gericht op een verruiming van de verliesverrekening (art. 20, lid 5, Wet Vpb). De Rechtbank verwierp de stelling van de BV’s dat de verhoging van dat saldo het gevolg was van een zakelijke transactie, de verkoop van de Spaanse deelneming. De verhoging was het gevolg van het uitlenen van het verkoopbedrag van de deelneming en niet van het verkopen van de deelneming zelf. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X en BV Y ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.