Overdrachtsbelasting bij uitbreiding economische eigendom erfpachtrecht

Datum: 27 juli 2011

BV X was commanditaire vennoot van CV Y. In december 2002 traden NV A voor 21,73%, BV B voor 17,74% en BV C voor 10,53% tot CV Y toe waardoor het belang van BV X in CV Y daalde van 100% naar 50%. Op 1 juli 2008 verkreeg BV X 526 commanditaire deelnemingen in CV Y, zijnde 10,25% van de participaties in CV Y van BV B. Hierna had BV X een belang van 60,25% in CV Y. Dit belang vertegenwoordigde een waarde van ruim € 37 mln. Volgens BV X was zij hierover geen overdrachtsbelasting verschuldigd, omdat de verkrijging van 10,25% in de economische gerechtigdheid tot de erfpachtrechten moest worden gezien als een terugverkrijging van economische eigendom. Hof Amsterdam besliste dat BV X niet aannemelijk had gemaakt dat de langlopende erfpachtrechten op de onroerende zaken gelijkgesteld konden worden aan de economische eigendom van die zaken (dus het volledige economisch belang bij die zaken), zodat niet kon worden gezegd dat BV X de "economische eigendom" had (vervreemd en later) terugverkregen, wat nodig was om onder de tegemoetkoming van onderdeel 10 van een besluit van 19 februari 2007 te vallen. Verder kwam het risico van een waardedaling van de erfpachtrechten, voorzover deze groter was dan de som van het commanditaire kapitaal, niet voor rekening van de commanditaire vennoten, maar voor rekening van de beherende vennoot, zodat BV X niet het volledige economische belang bij 10,25% van de erfpachtrechten had terugverkregen. Het Hof concludeerde dat de verkrijging op 1 juli 2008 moest worden aangemerkt als de uitbreiding van de economische eigendom van het recht van erfpacht op de onroerende zaken tot 60,25%. Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.