Verdeling van verzekeringspolissen bij echtscheiding belast?

Datum: 1 juli 2011

Mevrouw X was sinds 1988 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met de heer Y. Bij de financiële afwikkeling van hun echtscheiding in 2003 ontstond een discussie over de verdeling van een drietal verzekeringspolissen. Het ging om polissen waarvan Y de premies had betaald en in aftrek had gebracht in zijn aangiften IB, en waarin hij verzekerde en de eerst begunstigde was. Uiteindelijk werden kwamen zij overeen dat de polissen werden toegescheiden aan Y en dat mevrouw X recht had op verrekening van de helft van de waarde daarvan (minus 30% belastinglatentie). Als gevolg hiervan betaalde Y in 2006 in totaal € 8.718 aan mevrouw X. Bij het bepalen van dit bedrag was rekening gehouden met een belastinglatentie van 30%. De inspecteur vond dat de betalingen tot het inkomen van mevrouw X behoorde, en legde een navorderingsaanslag op over 2006. Mevrouw X ging in beroep. Rechtbank Breda handhaafde de navorderingsaanslag. Volgens de Rechtbank hield artikel 3.102, lid 3, van de Wet IB 2001 in dat ingeval bij echtscheiding een lijfrentepolis werd toegescheiden aan een van de ex-echtgenoten en de andere ex-echtgenoot op grond daarvan recht had op verrekening van de waarde daarvan en in verband daarmee een bedrag van de voormalige echtgenoot ontving, dit bedrag werd aangemerkt als aangewezen periodieke uitkering en daarmee tot het inkomen uit werk en woning behoorde. De Rechtbank verwierp het beroep van mevrouw X op een besluit van 10 mei 2010 waarin stond dat bij de verdeling van een gemeenschap bij echtscheiding een lijfrente fiscaal geruisloos kon worden vervreemd aan de ex-echtgenoot. Volgens de Rechtbank was in dit geval geen sprake van een vervreemding van een lijfrente maar van de verrekening van de waarde daarvan.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022