Boete van € 15.000 voor afdrachtvermindering zeescheepvaart bij zeilschip

Datum: 27 juni 2011

Stichting X exploiteerde een gaffel-schoener met drie masten. X zette het schip in voor jongeren om actief alle aspecten van het zeezeilen te beleven. In dat kader organiseerde zij jaarlijks jongerenprojecten, bedrijfstochten en zeilreizen. Verder werd deelgenomen aan evenementen als wereldhavendagen en Tall Ship Races. De inspecteur was het niet eens met de door X toegepaste afdrachtvermindering zeevaart. X ging in beroep tegen de naheffingsaanslag LB. Hof Den Haag besliste dat een duidelijke uitleg in de wetsgeschiedenis ontbrak, maar dat het in de rede lag te veronderstellen dat de zeilvaart van de faciliteit was uitgezonderd doordat zeilschepen in het algemeen niet werden ingezet in de handelsscheepvaart, maar ten behoeve van de pleziervaart, al dan niet voor commerciële doeleinden. Het was volgens het Hof echter mogelijk dat zeilschepen wel werden ingezet in het handelsverkeer, maar dat betekende niet dat de uitzondering van artikel 1, eerste lid, letter h, onder 2°, van de WVA niet voor deze situatie zou gelden. De wettekst was volgens het Hof namelijk duidelijk, en doel en strekking van deze bepaling dwongen niet tot een andere wetsuitleg. Het Hof concludeerde dat het schip werd gebruikt voor de zeilvaart en dat de motor slechts een ondersteunende functie had. BV X had daarom geen recht op de afdrachtvermindering. Het Hof handhaafde voorts de boete, omdat X er ten tijde van de toepassing van de afdrachtvermindering niet zeker was over de toepassing ervan en had nagelaten daarover deskundig advies in te winnen. Het Hof vond een boete van € 15.000 passend en geboden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.