Bij beoordeling van inkomensbron mogen feiten andere jaren meewegen

Datum: 24 juni 2011

De arbeidsongeschikte X startte in 2005 met het verzorgen van muzikale optredens. In 2005 verzorgde hij drie optredens en behaalde daarmee een omzet van 724. De kosten over 2005 bedroegen 1.646. Hof Arnhem was het met de inspecteur eens dat de muzikale activiteiten van X geen bron van inkomen vormden, omdat de kosten die verband hielden met de muzikale activiteiten in de jaren 2005 tot en met 2008 de daarmee behaalde opbrengsten overtroffen. Het Hof nam daarbij in aanmerking dat X in 2009 in het geheel geen optredens had verzorgd en hij had verklaard dat het niet erg waarschijnlijk was dat zijn muzikale activiteiten op korte termijn tot positieve resultaten zou leiden. X ging in cassatie en stelde dat de aanwezigheid van een inkomensbron, in dit geval een onderneming, niet mocht worden beoordeeld op basis van gegevens van latere jaren (wijsheid achteraf) en dat het Hof was uitgegaan van een te korte termijn waarbinnen met de muzikale activiteiten redelijkerwijs een positief voordeel was te behalen. De Hoge Raad besliste dat de vraag of een belastingplichtige in een jaar een onderneming uitoefende, en met name of sprake was van een objectieve voordeelsverwachting, in beginsel beantwoord moest worden op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren konden echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake was van een objectieve voordeelsverwachting en mochten daarom ook in aanmerking worden genomen. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.