Verleggingregeling jacht ten onrechte toegepast: UTB van 4,2 miljoen euro gehandhaafd

Datum: 22 juni 2011

B Ltd was op Guernsey gevestigd en was eigenaar van een motorjacht ter waarde van bijna € 24 mln. Haar enig aandeelhouder was de in Engeland wonende heer A. B Ltd verhuurde het jacht aan het op Aruba gevestigde lichaam E. E verhuurde het jacht weer aan BV X die het jacht op haar beurt verhuurde aan A. BV X voerde in december 2003 het motorjacht in Nederland in. Ze voldeed de BTW op grond van artikel 23 Wet OB op aangifte en trok die BTW als voorbelasting af. Naar aanleiding van een onderzoek van de FIOD stelde de inspecteur dat het de bedoeling van BV X was geweest om het motorjacht met een constructie BTW-vrij in de EU te krijgen. De inspecteur reikte een uitnodiging tot betaling (UTB) van BTW uit van ruim € 4,2 mln, omdat het motorjacht niet voor BV X maar voor A was bestemd. Het motorjacht had daarom volgens de inspecteur niet onder de zogenoemde artikel 23-vergunning van BV X mogen worden ingevoerd. BV X ging in beroep. Volgens BV X waren er voor de gekozen constructie geen fiscale motieven, maar was de handelwijze gekozen uit veiligheidsoverwegingen en de vrees voor kidnapping. Daardoor mocht er geen directe link bestaan tussen het jacht en de eigenaar. Om te bereiken dat een jacht makkelijker kon worden verkocht, werd er volgens BV X een Ltd tussengeschoven en werd gekozen voor een huur/verhuur-constructie. Rechtbank Haarlem besliste dat de UTB terecht was opgelegd waarop BV X in hoger beroep ging. Hof Amsterdam bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof besliste dat gezien alle feiten en omstandigheden het ervoor moest worden gehouden dat A aan BV X de opdracht had verstrekt het vaartuig in te voeren. Bij invoer van het vaartuig was A degene voor wie het vaartuig was bestemd zodat BV X ten onrechte de verleggingsregeling van artikel 23 Wet OB had toegepast. Ook A kon volgens het Hof geen aanspraak maken op deze verleggingsregeling omdat hij een natuurlijk persoon was en niet handelde als ondernemer. Het Hof besliste dat de UTB terecht aan BV X was opgelegd.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.