Valutaverlies verminderde teller van voorkomingsbreuk niet

Datum: 17 juni 2011

De in Nederland gevestigde BV X functioneerde binnen een concern als groepsfinancieringsmaatschappij van het telefonieconcern X. In 2003 verstrekte zij omvangrijke dollarleningen aan een gelieerde vennootschap (C SA) in Brazilië. In dat jaar ontving zij ruim € 68 mln als bruto-interest uit Brazilië. De kosten die daarop betrekking hadden bedroegen ruim € 19 mln en het koersverlies circa € 33 mln. Op grond van het belastingverdrag met Brazilië werd de in Brazilië betaalde belasting geacht te bedragen 20% van de rente-inkomsten, ofwel ruim € 13 mln (tax sparing credit). Daarnaast was uit voorgaande jaren nog bijna € 8 mln aan bronheffing te verrekenen. Het op basis van de zogenoemde eerste limiet van artikel 36, lid 2, letter a, BvdB 2001 te verrekenen bedrag bedroeg circa € 21 mln. De inspecteur berekende het maximaal te verrekenen bedrag op basis van de zogenoemde tweede limiet door in de teller van de voorkomingsbreuk uit te gaan van een nettoresultaat van € 16 mln (ontvangen interest min de kosten). BV X ging in beroep en stelde dat de tweede limiet moest worden berekend zonder op de teller van de voorkomingsbreuk het valutaverlies in mindering te brengen. Hof Amsterdam was het daar in navolging van Rechtbank Haarlem mee eens. Het Hof besliste dat waar in het BvdB in artikel 36, lid 1 werd gesproken van "in de winst begrepen interest" hieronder in beginsel moest worden verstaan hetzelfde inkomensbestanddeel als waarover Brazilië op grond van artikel 11, lid 1, van het belastingverdrag met Brazilië belasting mocht heffen. Vervolgens moesten koersverschillen terzake van de hoofdsom van de lening waarover rente werd genoten op grond van artikel 11, lid 1, van het belastingverdrag met Brazilië buiten het bereik van die bepaling blijven. In het belastingverdrag met Brazilië werd gesproken van "betaalde interest" en dit bood volgens het Hof geen ruimte om ook inkomensbestanddelen die niet als zodanig werden betaald en die in het resultaat tot uiting kwamen, zoals de onderhavige (negatieve) koersverschillen, tot het in artikel 11 lid 1, van het belastingverdrag met Brazilië bedoelde bestanddeel van het inkomen te rekenen. Verder besliste het Hof dat het valutaverlies niet onder de met interest "verband houdende kosten" in de zin van artikel 36, lid 4, BvdB behoorde. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad hield het kort. De uitspraak van het Hof was volgens de Hoge Raad juist. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van de staatssecretaris ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 03-07-2020