Gereserveerde maar niet-toegewezen opties kwamen CEO niet ten goede

Datum: 15 juni 2011

De in België wonende X was CEO van NV A en was medebestuurder van Stichting B, die prioriteitsaandelen in NV A hield. De overige aandelen van NV A waren aan de beurs genoteerd. X was met NV A overeengekomen dat hij als onderdeel van zijn beloning recht had op 200.000 opties per jaar. Bij de optieovereenkomsten behoorden leenovereenkomsten. De voor de opties te betalen premies werden geheel of gedeeltelijk geleend van NVA. In december 2001 was NV A failliet verklaard. De inspecteur belastte in de inkomstenbelasting 2000 en 2001 bij X de niet aan andere werknemers toegewezen opties omdat die aan X als loon ten goede zouden zijn gekomen. X ging in beroep. Rechtbank Breda besliste dat B het aantal opties vaststelde dat beschikbaar was om te verlenen in het kader van het Optieplan. X was degene die besliste welke werknemer in aanmerking kwam voor opties en X bepaalde het aantal. De opties die voor X zelf in aanmerking kwamen, werden vastgesteld door de RvC. De uitvoering werd door een accountant gecontroleerd. De Rechtbank was het niet met de inspecteur eens dat de niet aan andere werknemers toegewezen opties en de opties op grond van optieovereenkomsten waarvan geen overeenkomst tot de stukken van het geding behoorde en dus geen bewijs was aangevoerd, aan X als loon ten goede waren gekomen. Bij het vaststellen van de aanslagen was volgens de Rechtbank ten onrechte inkomen bij X in aanmerking genomen terzake van de niet-uitgeoefende opties of de opties waarvan optieovereenkomsten ontbraken. Bij het faillissement van NV A was niet van een vordering op X gebleken. De Rechtbank besliste dat van een lening terzake van niet-uitgeoefende opties geen sprake was zodat geen inkomen in aanmerking kon worden genomen terzake van leningen, rente of kwijtscheldingen betreffende de niet-uitgeoefende opties. De correcties over 2000 konden slechts bestaan uit de rente die X niet hoefde te betalen terzake van opties die verleend waren op 14 oktober 1999. De Rechtbank besliste voor 2001 dat het in onderpand geven van een pakket aandelen in verband met een loonvordering niet gezien kon worden als het genieten van loon. De Rechtbank besliste voor 2000 dat geen navorderingsaanslag kon worden opgelegd omdat de primitieve aanslag tot een hoger bedrag was vastgesteld.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 03-07-2020