Onverdeeld 35%-aandeel bewoonde woning in box 1, niet in box 3

Datum: 23 september 2022

Echtpaar X en echtpaar Y waren voor respectievelijk 35% en 65% eigenaar van een bouwkundig gesplitste woning die kadastraal niet was gesplitst. De echtparen woonden beiden in hun eigen deel van de woning. De omvang van de door de beide echtparen bewoonde delen kwam overeen met ieders aandeel in de onverdeelde eigendom van de woning. Er was geen sprake van een gemeenschappelijke huishouding. Echtpaar X gaf de woning in de aangifte IB 2017 aan in box 1 als inkomen uit werk en woning, maar de inspecteur belastte de woning in box 3 als inkomen uit sparen en beleggen. Doordat echtpaar X voor minder dan 50% eigenaar was van de woning, kon (het aandeel in) de woning volgens hem niet worden gekwalificeerd als eigen woning. Echtpaar X ging in beroep. Rechtbank Den Haag volgde het standpunt van de inspecteur. Het echtpaar ging met succes in hoger beroep. Hof Den Haag besliste dat uit artikel 3.111, lid 1, letter a, Wet IB 2001 en de wetsgeschiedenis volgde dat een gedeelte van een gebouw dat een belastingplichtige op grond van eigendom anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking stond, mede een eigen woning was indien de waardeverandering van dat gedeelte hem of zijn partner grotendeels (50% of meer) aanging en hij of zijn partner ook aan de overige voorwaarden van het bepaalde in dat artikel voldeed. Het Hof verklaarde het hoger beroep van het echtpaar X gegrond. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad stelde de staatssecretaris in het ongelijk. In een geval als dit, waarin de onroerende zaak slechts bouwkundig was gesplitst en de omvang van het door de betrokkenen bewoonde gedeelte niet afweek van hun aandeel in de onverdeelde eigendom, kon hun aandeel in de waardeontwikkeling van de gehele onroerende zaak in beginsel worden geacht overeen te komen met een volledig belang in de waardeontwikkeling van het door hen bewoonde gedeelte. In zo’n geval moest er namelijk van worden uitgegaan dat aan de gedeelten van de onroerende zaak geen afzonderlijke waardeontwikkelingen konden worden toegerekend. De inspecteur had bij de Rechtbank en het Hof niets aangevoerd, zoals afspraken tussen de vier mede-eigenaren van de woning, waaruit zou kunnen volgen dat de waardeontwikkeling van het door echtpaar X bewoonde gedeelte van de woning hen voor minder dan 50% aanging. Het Hof had volgens de Hoge Raad terecht beslist dat was voldaan aan het vereiste van artikel 3.111, lid 1, letter a, Wet IB 2001 omdat de waardeontwikkeling van het door het echtpaar X bewoonde gedeelte van de woning hen grotendeels, dat wil zeggen voor meer dan 50%, aanging. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van de staatssecretaris ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022