Tijdelijke voeging in f.e. zakelijk: sanctie 15ai Vpb niet aan de orde

Datum: 19 september 2022

BV X maakte deel uit van een groep vennootschappen, die zich bezighield met performance-testing en geautomatiseerd functioneel testen. Eén van de groepsvennootschappen (BV Z) kocht in oktober 2015 voor € 3 mln de aandelen in BV Y. BV Y werd per 1 januari 2016 opgenomen in de fiscale eenheid (f.e.) voor de Vpb met BV X als moedermaatschappij. BV Y verrichtte security testing, development en hosting-activiteiten. Na de aankoop van de aandelen BV Y bood de X-Groep de security testing-diensten gecombineerd aan met de diensten op het gebied van performance-testing. Na een half jaar werden de aandelen BV Y voor € 325.000 verkocht aan een derde. De f.e. met BV Y werd per 1 augustus 2016 verbroken. De inspecteur stelde dat de sanctiebepaling van artikel 15ai Wet Vpb van toepassing was omdat de overdracht binnen de f.e. had plaatsgevonden en niet was voldaan aan het vereiste dat de overdracht had plaatsgevonden in het kader van een bij de aard en omvang van de overdrager en de overnemer passende normale bedrijfsuitoefening. De inspecteur corrigeerde de aangifte Vpb 2016 van BV X met de boekwinst behaald met de verkoop van BV Y van € 1.944.347. Na bezwaar van BV X verlaagde de inspecteur de winstcorrectie naar € 1.620.000. BV X ging in beroep en stelde dat de sanctiebepaling niet van toepassing was. Rechtbank Den Haag besliste dat met betrekking tot de overdracht van de security-testing en development-activiteiten van BV Y sprake was van een overdracht als bedoeld in artikel 15ai, lid 1, Wet Vpb, omdat BV Y met de overdracht van deze activiteiten (niet-geactiveerde) goodwill had overgedragen. De goodwill zag vooral op de door het personeel van BV Y verleende diensten bij de cliënten. Volgens de Rechtbank had de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de overdracht binnen de f.e. had plaatsgevonden. Hoewel in de parlementaire geschiedenis werd opgemerkt dat het belangrijkste doel van de sanctiebepaling van artikel 15ai Wet Vpb was om overdrachten van vermogensbestanddelen binnen de f.e. alsnog in de heffing te betrekken als de f.e. maar korte tijd in stand was gebleven, was de sanctiebepaling volgens de Rechtbank in dit geval niet van toepassing. Volgens de Rechtbank had de overdracht van de security-testing en de development-activiteiten en het personeel van BV Y plaatsgevonden in het kader van een bij de aard en omvang van BV Y en de X-groep passende normale bedrijfsuitoefening. De Rechtbank vond het aannemelijk dat er al vóór de overname van BV Y binnen de groep een zekere taakverdeling tussen de vennootschappen bestond, in die zin dat cliënten door (de werknemers van) BV Z werden bediend. Op het moment dat BV Y deel ging uitmaken van de f.e. werd besloten om de security-testing en development-activiteiten en het personeel van BV Y onder te brengen bij BV Z en vanuit BV Z de gecombineerde ICT-diensten aan te bieden. Dat de X-groep zelf eerder geen security-testing en development-activiteiten verrichtte en er dus sprake was van een nieuwe situatie, maakte volgens de Rechtbank niet dat geen sprake kon zijn van een overdracht in het kader van een bij de aard en omvang van BV Y en de X-groep passende normale bedrijfsuitoefening. De gedragslijn binnen de X-groep met betrekking tot de genoemde taakverdeling was er al. BV X had onweersproken gesteld dat zij een strategische reden had voor het overnemen van de security-testing en development-activiteiten van BV Y, omdat security voor haar een zeer interessante en aantrekkelijke markt was, de activiteiten van BV Y en de dienstverlening van de X-groep elkaar perfect aanvulden qua diensten, markt, DNA en cultuur en security het portfolio van X-groep compleet maakte. De inspecteur verklaarde het beroep van BV X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022