Verstrekte bedragen aan agrariër leningen, geen uitdelingen

Datum: 16 september 2022

Y exploiteerde in maatschapsverband een landbouwbedrijf. In 2007 richtte hij BV X op waarvan hij enig aandeelhouder werd en waarin hij zijn maatschapsaandeel inbracht en emigreerde vervolgens naar Portugal om daar een melkveehouderij te beginnen. Hij kocht daar voor € 450.000 onroerende zaken, maar ook vee en inventaris die hij betaalde van zijn privébankrekening waarvan het saldo toekwam aan BV X (lening 1). In maart 2011 verkocht BV X – op één perceel na – al haar onroerend goed in Nederland voor € 1,85 mln. De koper bleef € 650.000 schuldig en BV X verstrekte voor dit bedrag een lening aan de koper. In september 2011 loste de koper deze lening volledig af op een bankrekening op naam van Y en zijn broer. Op dezelfde dag werd het bedrag overgeboekt naar een spaarrekening op naam van Y. Het bedrag op deze spaarrekening was tussen september 2011 en december 2013 vrijwel helemaal opgenomen door Y die het geld gebruikte voor de aankoop van een vakantiewoning in Nederland en voor zijn Portugese onderneming (lening 2). Voor beide leningen ontbrak een leningsovereenkomst, maar volgens de jaarrekening van BV X werd 4% rente berekend. BV X vermeldde in haar aangifte Vpb over het boekjaar 2014/2015 (1 mei 2014 – 30 april 2015) een rentebate van € 20.480 (4% over € 512.000), maar de inspecteur corrigeerde de aangegeven rentebaten met € 39.679. BV X ging in beroep en stelde dat de inspecteur ten onrechte de winst had verhoogd met een aanvullende rentebate omdat voor lening 1 vóór 1 mei 2014 al voor een deel sprake was geweest van een winstuitdeling door BV X aan Y. Voor lening 2 was volgens BV X op het moment dat Y geld opnam van de spaarrekening steeds sprake geweest van een vermogensverschuiving van BV X naar Y omdat het meteen duidelijk was dat Y de opgenomen gelden niet kon terugbetalen. Rechtbank Noord-Nederland en Hof Arnhem-Leeuwarden stelden BV X in het ongelijk.  BV X had volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de geldlening op 30 april 2014 niet kon of zou worden afgelost, in de zin dat op dat moment al was komen vast te staan of zo goed als zeker was dat de geldlening niet zou worden afgelost. De enkele verwijzing naar de vermogenspositie van Y per augustus 2015, een moment ruim 15 maanden later, was daarvoor onvoldoende. Ook had BV X niet aannemelijk gemaakt dat en in hoeverre dit vermeende uitblijven van de aflossing plaatsvond als gevolg van handelen of nalaten van BV X ten gunste van haar aandeelhouder. Verder was niet aannemelijk, zo al sprake zou zijn van een bevoordeling, dat BV X en Y zich daarvan bewust waren of hadden moeten zijn. Het Hof verklaarde het hoger beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022