Fiscus en AFM mochten onderzoeksgegevens piramidespel delen met FIOD

Datum: 17 augustus 2022

X werd naar aanleiding van een onderzoek naar internationale fraude met beleggingen in levensverzekeringen strafrechtelijk vervolgd. Hij stelde bij de strafrechter van Hof Amsterdam dat hem te laat was meegedeeld dat met een opsporingsonderzoek was begonnen waardoor hem verklaringen waren ontlokt zonder dat op zijn zwijgrecht was gewezen. Ook had de Belastingdienst volgens X onrechtmatig informatie uitgewisseld met de FIOD en de AFM. De strafkamer van Hof Amsterdam was dat niet met X eens. Uit het feit dat een belastingambtenaar in december 2009 had gevraagd om een ambtsedig proces-verbaal op te maken van het oriënterende gesprek in november 2008, kon niet zonder meer worden afgeleid dat op dat moment een redelijk vermoeden van schuld aanwezig was. Het opnemen van het woord “piramidespel” in de ambtsedige verklaring betekende niet dat alleen al daarom sprake was van feiten en omstandigheden waaruit een redelijk vermoeden van schuld jegens X kon en moest worden afgeleid. Het Hof vond ook van belang dat het onderzoek van de Belastingdienst zich richtte op de BTW en het onderzoek van de AFM op een vergunningaanvraag en beide onderzoeken niet gestart waren met het doel strafbare feiten op te sporen. Opsporingsambtenaar B was begin 2010 gestart met zijn onderzoek en had alle informatie van de AFM en de Belastingdienst bijeengevoegd en aangevuld. Na afronding van zijn onderzoek was op 8 juni 2010 besloten tot een strafrechtelijk onderzoek. Verder waren in het strafdossier geen verklaringen van X aanwezig die in de periode van eind december 2009 tot 8 juni 2010 waren afgelegd. Als eind 2009/begin 2010 uit de op dat moment aanwezige feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit van X voortvloeide, was er daarom nog geen sprake van een schending van het zwijgrecht als verdachte van X. Het Hof besliste vervolgens dat zowel de Belastingdienst als de AFM een geheimhoudingsplicht hadden, maar deze gold in bepaalde omstandigheden niet. Zo was de Belastingdienst op grond van artikel 67, lid 2, AWR in verbinding met artikel 43c, lid 1, UVR AWR (oud), bevoegd tot het verstrekken van informatie aan daar genoemde bestuursorganen, voor zover het de in dat artikel genoemde gegevens betrof en de genoemde publieke taak. Onder artikel 43c, lid 1, sub h, zoals dit gold op dat moment, stond dat de geheimhouding niet gold indien gegevens werden verstrekt aan de directeur van de FIOD en die gegevens door de FIOD werden gebruikt in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde ingevolge artikel 3 Wet bijzondere opsporingsdiensten. Op grond hiervan mocht de Belastingdienst op verzoek van de FIOD gegevens verstrekken. Met betrekking tot de verstrekking van de gegevens door de AFM aan de FIOD gold op grond van artikel 1:92, lid 1, Wft een afwijkingsbevoegdheid ten opzichte van de geheimhoudingsplicht van artikel 1:89 Wft voor het verstrekken van vertrouwelijke gegevens en inlichtingen die waren verkregen bij de uitvoering van de bij die wet opgedragen taak aan een instantie die belast was met de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden of aan een deskundige die door zo’n instantie met een opdracht was belast, voor zover deze gegevens noodzakelijk waren voor de uitvoering van die opdracht. Opsporingsambtenaar B werkte bij de FIOD en was belast met de opsporing van strafbare feiten en in dat kader mocht de AFM dus ook gegevens aan hem verstrekken. Het Hof concludeerde dat geen sprake was van een vormverzuim, al dan niet in het voorbereidend onderzoek, of onrechtmatig handelen jegens X zodat het OM ontvankelijk was in de vervolging van X. Het Hof besliste dat X zich samen met twee medeverdachten, vanaf 1 januari 2007 tot en met 27 september 2011 schuldig had gemaakt aan een grootschalig piramidespel, waarbij zij slachtoffers een bedrag van in totaal ten minste € 162.258.000 afhandig hadden gemaakt. Het Hof veroordeelde X voor medeplegen van: (a) het opzettelijk gebruik van valse documenten, (b) oplichting, (c) gewoontewitwassen en voor het deelnemen aan een criminele organisatie tot een gevangenisstraf van 72 maanden en legde hem een beroepsverbod op voor het optreden als aanbieder van financiële producten, financiële instrumenten of het optreden als financieel dienstverlener, voor een periode van 11 jaar.

 

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022