Gebruiken huurbate voor PEB voorkwam OZL-status niet

Datum: 16 augustus 2022

BV X kreeg in april 2007 de laatste tranche aandelen in werkmaatschappij BV A geleverd van BV B, waarvan zoon C en zijn moeder D na het overlijden van vader/echtgenoot E aandeelhouder waren geworden. C en D leverden in februari 2020 samen alle aandelen BV B aan BV X voor € 648.955. Op de actiefzijde van de balans van BV B stond een onroerende zaak die werd verhuurd aan BV A en waarvan de waarde in het economisch verkeer volgens de balans ultimo 2019 € 680.000 bedroeg. Op de passiefzijde van de balans stond een pensioen- en stamrechtverplichting in verband met aan D toegezegde uitkeringen. De inspecteur stelde dat BV B kwalificeerde als onroerendezaaklichaam (OZL) in de zin van artikel 4 WBR en legde aan BV X een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting (ODB) op van € 40.800 (6% van € 680.000). BV X ging in beroep en stelde dat niet werd voldaan aan de doeleis voor het zijn van OZL, omdat de huuropbrengsten werden aangewend voor de uitvoering van een pensioenvoorziening in eigen beheer (PEB) van de (voormalige) directie en er geen sprake was van een holding die in onroerende zaken handelde of alleen een onroerende zaak verhuurde aan haar werkmaatschappij. Rechtbank Gelderland stelde BV X in het ongelijk. De Rechtbank besliste dat BV X een OZL was omdat was voldaan aan de bezitseis en de doeleis. In dit geval werd voldaan aan de bezitseis. Daarover was geen verschil van mening tussen BV X en de inspecteur. Voor de beoordeling of voldaan was aan de doeleis vormden de feitelijke werkzaamheden van BV B het uitgangspunt. Daarvan uitgaande was volgens de Rechtbank voldaan aan de doeleis, omdat de onroerende zaak ten tijde van de verkrijging van de aandelen, en het jaar daaraan voorafgaand, werd verhuurd aan BV A, een voor BV B derde partij. Dat de huuropbrengsten werden aangewend voor de uitvoering van de pensioenvoorziening van de (voormalige) directie, was daarbij niet van belang omdat alleen relevant was óf de onroerende zaak werd geëxploiteerd en niet hoe de exploitatie-opbrengsten werden besteed. Voor zover BV X nog had gesteld dat BV B exploitatie van onroerend goed niet ten doel had, was dat volgens de Rechtbank niet juist. De statutaire doelomschrijving van BV B was immers “het beheren van en het beschikken over registergoederen”. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

 

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022