Fictief loon van € 20.000 voor DGA van schoonmaakbedrijf

Datum: 16 augustus 2022

X was directeur-grootaandeelhouder (DGA) van BV C die zich bezighield met management- en organisatieadvies en met beheeractiviteiten. BV C was samen met BV D en BV E, elk voor 1/3e-deel, aandeelhouder van BV F die een schoonmaakbedrijf uitoefende en arbeidskrachten ter beschikking stelde. Y was directeur van BV F. In de periode 22 juli 2011 tot 23 december 2014 waren X, en zijn broers Y en Z middellijk, ieder voor 1/3e-deel, aandeelhouder in BV G waarvan de activiteiten bestonden uit het verlenen van bedrijfsdiensten, beheeractiviteiten en het ter beschikking stellen van personeel aan derden. Onder de naam H dreven X en Y een vennootschap onder firma (vof) op het gebied van interieurreiniging van gebouwen. De inspecteur legde aan X over 2014 een navorderingsaanslag IB op voor een gebruikelijk loon van (na bezwaar) € 20.000 toen uit een bij BV F gehouden boekenonderzoek bleek dat X een middellijk belang had in BV F en dat hij voor deze BV had gewerkt. X ging in beroep en stelde dat hij niet voor BV F had gewerkt en als dat wel het geval zou zijn, het gebruikelijk loon op € 1.500 moest worden vastgesteld. Rechtbank Noord-Holland stelde X in het ongelijk. De Rechtbank besliste dat X werkzaamheden had verricht voor BV F en dat daarom de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a Wet LB terecht was toegepast. Uit de door de inspecteur overgelegde gespreksverslagen van het boekenonderzoek bleek dat X zorgde voor de inroostering van de werknemers en de betaling van de gewerkte uren. Daaruit bleek ook dat sprake was van een nauwe samenwerking tussen de gelieerde BV’s, dat er over en weer werkzaamheden werden verricht en dat er geen verschil was tussen de ondernemingen waarvoor de broers werkten. De Rechtbank verwierp de stelling van X dat het gespreksverslag van het boekenonderzoek onjuist was dat hij samen met de medeaandeelhouders werkzaamheden had verricht voor BV F. Gelet op de verklaring van X over de nauwe samenwerking tussen de gelieerde BV’s en de werkzaamheden van X, vond de Rechtbank het aannemelijk dat X werkzaamheden had verricht voor BV F. Als (de gemachtigde van) X het niet eens was met de passage over de werkzaamheden voor BV F had hij dit aan de inspecteur moeten laten weten. X had twee weken gekregen om eventuele onjuistheden door te geven aan de inspecteur. De Rechtbank verwierp de subsidiaire stelling van X dat het gebruikelijk loon moest worden verminderd tot € 1.500 omdat hij maximaal 10 uur per maand voor BV F had gewerkt en een uurloon van € 12,50 passend was. Volgens de Rechtbank had X zijn stelling dat de meestverdienende werknemer een bruto uurloon ontving van € 12,38 niet aannemelijk gemaakt. X was middellijk aanmerkelijk-belanghouder en mede-beleidsbepaler. Hij had werkzaamheden verricht en hier moest een adequate beloning tegenover te staan. De Rechtbank was het ook niet met X eens dat het commercieel niet verantwoord was om de BV te belasten met het door de inspecteur voorgestelde gebruikelijk loon. Gelet op de hoogte van de omzet, de hoogte van de personeelskosten en het aantal personeelsleden, vond de Rechtbank het niet aannemelijk dat de continuïteit van de onderneming in gevaar zou zijn gekomen als het gebruikelijk loon zou zijn voldaan aan X. De Rechtbank zag geen enkele reden voor matiging van het in aanmerking te nemen gebruikelijk loon en verklaarde het beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022