Expat toch 30%-regeling door wisseling inhoudingsplichtige

Datum: 15 augustus 2022

Mevrouw X had de Amerikaanse nationaliteit en stond vanaf 3 juni 2019 onafgebroken als inwoner van Nederland ingeschreven in de GBA. Zij werkte van 17 juni 2019 tot en met 9 juli 2019 voor BV A in Nederland. Een namens X en BV A ingediend verzoek om toepassing van de 30%-regeling was buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van stukken en het uitblijven van een reactie hierop. X sloot op 28 oktober 2019 een arbeidsovereenkomst met BV B, maar ging uiteindelijk niet werken voor BV B. Op 15 juni 2020 sloot zij een arbeidsovereenkomst met NV C in Denemarken en begon haar werkzaamheden bij NV C op 15 juli 2020. Na een arbeidsconflict staakte zij haar werkzaamheden voor NV C. Vervolgens sloot X op 27 januari 2021 een arbeidsovereenkomst met D, waar zij op 1 maart 2021 met haar werk begon. De tewerkstelling bij D werd op 31 juli 2021 beëindigd. X en D verzochten de inspecteur om toepassing van de 30%-regeling, waarbij X stelde dat zij eerder vanaf 1 juni 2019 tot 1 augustus 2019 en vanaf 1 juli 2020 in Nederland had verbleven. De inspecteur wees het verzoek om toepassing van de 30%-regeling af. Mevrouw X ging in beroep en stelde dat zij recht had op toepassing van de 30%-regeling omdat zij kwalificeerde als ingekomen werknemer die uit een ander land was aangeworven bij aanvang van de tewerkstelling bij D. Volgens mevrouw X voldeed zij bij haar vorige dienstbetrekking bij NV C ook aan de voorwaarden van de 30%-regeling waardoor zij met toepassing van artikel 10ed, UVBT LB de 30%-regeling kon toepassen bij haar dienstbetrekking bij D. Rechtbank Noord-Holland stelde mevrouw X in het gelijk. Volgens de Rechtbank volgde uit een arrest van de Hoge Raad van 28 april 2006 en een conclusie van Advocaat-Generaal (A-G) van Ballegooijen van 24 oktober 2008 dat voor het antwoord op de vraag of een werknemer uit een ander land was aangeworven, beslissend was of de werkgever met de werknemer een arbeidsovereenkomst was aangegaan op een moment waarop de werknemer haar woonplaats buiten Nederland had en niet – anders dan in situaties als opleiding of stage – in Nederland werkzaam was. In het geval een ingekomen werknemer op een later moment een andere werkgever kreeg, was in beginsel daarom niet (meer) sprake van aanwerving uit een ander land, zoals bedoeld in artikel 10e, lid 2, onderdeel b, UVBT LB. Mevrouw X had op 27 januari 2021 de arbeidsovereenkomst getekend met D en woonde en werkte op dat moment al in Nederland. Zij kwalificeerde daarom op het moment van aangaan van de arbeidsovereenkomst met D niet meer als een ingekomen werknemer in de zin van artikel 10e, lid 2, onderdeel b, UVBT LB. De Rechtbank leidde uit de wetsgeschiedenis af dat het slot van – nu:– artikel 10ed, lid 1, UVBT LB ertoe strekte buiten discussie te stellen dat aan het vereiste van schaarse specifieke deskundigheid van de werknemer niet meer kon worden voldaan bij overschrijding van een termijn van drie maanden tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe inhoudingsplichtige. De Rechtbank wees hierbij op arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2014 en 29 januari 2016. De tewerkstelling bij NV C was aangevangen op 15 juli 2020 en X was vanaf 1 februari 2021 vrijgesteld van werkzaamheden voor NV C. Verder was zij op 27 januari 2021 een arbeidsovereenkomst met D overeengekomen en vanaf 1 maart 2021 voor deze werkgever werkzaamheden gaan verrichten. Ook stond vast dat voor de dienstbetrekking bij NV C voldaan werd aan de eisen voor toepassing van de 30%- regeling en dat voor die dienstbetrekking geen gebruik gemaakt was van de regeling. Omdat mevrouw X doende was haar arbeidsovereenkomst met NV C te beëindigen op het moment van tekenen van de arbeidsovereenkomst met D en per 1 maart 2021 werkzaamheden was gaan verrichten voor deze werkgever, vond de Rechtbank dat zij op grond van artikel 10ed, lid 1, UVBT LB aanspraak kon maken op toe passing van de 30%-regeling bij deze werkgever vanaf 1 maart 2021 tot en met 31 augustus 2021. Daaraan deed niet af dat de dienstbetrekking bij NV C nog niet was beëindigd op het moment van tekenen van de arbeidsovereenkomst bij D. De Rechtbank verklaarde het beroep van mevrouw X daarom gegrond.

 

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022