50%-vergrijpboeten voor BTW-gesjoemel schoonmaakbedrijf

Datum: 15 augustus 2022

Schoonmaakbedrijf vof X verrichtte werkzaamheden voor diverse opdrachtgevers. Zij leende hiervoor personeel in van verschillende uitzendbureaus. De op deze facturen vermelde BTW van € 24.874 in 2013 en € 32.784 in 2014 trok X af. Toen bleek dat de uitzendbureaus de op de facturen vermelde omzet niet hadden aangegeven en daarover geen BTW hadden aangegeven en voldaan, legde de inspecteur naheffingsaanslagen BTW over 2013 en 2014 op met vergrijpboeten van 50%. X ging in beroep, maar Rechtbank Noord-Holland stelde haar in het ongelijk. Omdat X aanspraak maakte op aftrek van voorbelasting, was het naar vaste jurisprudentie aan haar om te bewijzen dat zij aan de voorwaarden daarvoor voldeed. Op grond van het Barlis-arrest van het EU-Hof van Justitie moest X aannemelijk maken dat haar crediteuren terecht BTW aan haar in rekening hadden gebracht. Volgens de Rechtbank was X hierin niet geslaagd De inspecteur had gemotiveerd betwist dat de facturen voor het inlenen van personeel betrekking hadden op daadwerkelijk aan X verrichte prestaties en X had hier tegenover volstaan met de blote stelling dat dit wél het geval was. Daarmee was niet aannemelijk geworden dat de betreffende prestaties waren verricht. Omdat er niet van kon worden uitgegaan dat aan X diensten waren verleend, was niet voldaan aan de vereisten van artikel 15, lid 1, letter a, Wet OB en had de inspecteur terecht de in aftrek gebrachte voorbelasting nageheven. Of de BTW had kunnen worden nageheven van de uitzendbureaus, deed dan niet langer ter zake. Ook de in aftrek gebrachte voorbelasting ter zake van een op de privéwoning van één van de vennoten, waar X niet was gevestigd, was niet aftrekbaar. Met betrekking tot de vergrijpboeten stelde de Rechtbank voorop dat het gelet op een arrest van de Hoge Raad van 8 april 2022 de vraag was of haar beslissing dat X niet aannemelijk had gemaakt dat zij voldeed aan de voorwaarden voor aftrek van de betreffende voorbelasting voldoende was voor de gevolgtrekking dat belasting die op aangifte moest worden voldaan (gedeeltelijk) niet was betaald als bedoeld in artikel 67f, lid 1, AWR. Het alternatief zou zijn dat die conclusie alleen kon worden getrokken op basis van de door de Hoge Raad uit artikel 6, lid 2, EVRM afgeleide bewijslastverdeling en bewijsmaatstaf. In dat geval zou voor handhaving van de boete nodig zijn dat de inspecteur overtuigend aantoonde dat de aangifte van X wat betrof de hoogte van de verschuldigde belasting onjuist was. Volgens de Rechtbank was dat laatste niet het geval. Uit een arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2008 leidde de Rechtbank af dat bij de beoordeling van een vergrijpboete ervan werd uitgegaan dat de feitelijk geheven belasting – als ook daarover een rechtsgeding aanhangig was gemaakt: zoals deze door de rechter in stand werd gelaten – de verschuldigde belasting was. De hoogte van de verschuldigde belasting was als zodanig niet een bestanddeel van het beboetbare feit. De inspecteur hoefde in dit verband dus niet te bewijzen dat het bedrag van de belasting waarop het vergrijp betrekking had juist was vastgesteld. De Rechtbank besliste dat X een handeling had verricht die naar haar uiterlijke verschijningsvorm kon worden aangemerkt als zozeer gericht op het niet-voldoen van de verschuldigde BTW dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kon zijn geweest dan dat zij door zo te handelen bewust de aanmerkelijke kans op het niet-voldoen van de verschuldigde BTW had aanvaard. De Rechtbank verwierp het beroep van X dat haar geen opzet kon worden verweten omdat zij gebruik had gemaakt van een boekhouder op wiens kunde zij vertrouwde en mocht vertrouwen. De boekhouder had de BTW-aangiften gedaan op basis van de door X aan hem verstrekte informatie. Zonder dat vast kwam te staan dat de boekhouder ervan op de hoogte was gesteld dat aan de facturen voor inlening van werknemers geen prestaties ten grondslag lagen en dat de factuur voor de dakkapel betrekking had op de privéwoning van een van de vennoten, mocht X volgens de Rechtbank niet erop vertrouwen dat de met bijstand van de adviseur gedane aangiften juist zouden zijn. De Rechtbank vond de opgelegde boeten van 50% passend en geboden, maar verminderde deze wel met 15% vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

 

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022