Opbrengsten van reclameactiviteiten en personeelsleningen bij gemeente belast

Datum: 12 augustus 2022

In het kader van de invoering van de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen per 1 januari 2016 had gemeente X vooroverleg met de inspecteur over twee activiteiten: (1) een reclameactiviteit en (2) een activiteit met betrekking tot personeelsleningen. Wat de reclameactiviteit betreft, ging het om (concessie)overeenkomsten die X met drie landelijk actief werkende reclame-exploitanten had gesloten voor de plaatsing van reclameobjecten, zoals abri’s, lichtbakken en A0-displays, in het gemeentelijk openbaar gebied. De reclameobjecten waren eigendom van de reclame-exploitanten en de exploitatie daarvan vond voor hun rekening en risico plaats. De exploitanten waren aansprakelijk voor schade als gevolg van plaatsing, exploitatie en gebruik van de reclameobjecten, maar X was verantwoordelijk voor de inrichting, het beheer en het onderhoud van het openbare gebied. X ontving van de reclame-exploitanten in 2016 een vaste vergoeding voor het bieden van gelegenheid tot plaatsing van de verschillende reclameobjecten. In haar aangifte Vpb 2016 gaf X € 290.400 aan als opbrengsten van de reclameactiviteiten na aftrek van € 3.203 aan kosten. Met betrekking tot de personeelsleningen ging het om een oude vóór 2008 bestaande mogelijkheid voor personeelsleden om bij X een hypothecaire geldlening af te sluiten. Die secundaire arbeidsvoorwaarde gold ook voor personeel waarover X het bevoegd gezag uitoefende, bijvoorbeeld van onderwijsinstellingen. Na 2008 konden geen nieuwe hypothecaire geldleningen meer worden afgesloten en werd de bestaande hypotheekportefeuille langzaam afgebouwd en alleen nog beheerd. Per 1 januari 2016 had X nog 322 hypotheekleningen uitstaan voor een totaalbedrag van € 33.212.769 en op die datum stonden nog voor € 19.285.000 aan leningen open. De inspecteur stelde dat X met de reclameactiviteit en de personeelsleningen een onderneming dreef in de zin van artikel 2, lid 1, letter g, Wet Vpb omdat sprake was van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, daarmee werd deelgenomen aan het economisch verkeer en sprake was van een winstoogmerk. X was het daar niet mee eens en ging in beroep. Rechtbank Noord-Holland stelde X in het ongelijk. De Rechtbank besliste dat de reclameactiviteiten belaste activiteiten waren omdat sprake was van het drijven van een onderneming in de zin van artikel 2, lid 1, letter g, Wet Vpb en was voldaan aan de hierin opgenomen criteria. Volgens de Rechtbank moest de reclameactiviteit zelfstandig worden getoetst aan de criteria voor het ondernemerschap en was er onvoldoende samenhang met de activiteit “beheer en inrichting van het openbare gebied” om ze gezamenlijk te beoordelen. De Rechtbank verwierp vervolgens het beroep van X op de overheidstakenvrijstelling van artikel 8e, lid 1, onderdeel b, Wet Vpb. Dat X verantwoordelijk was voor het beheer en de inrichting van het openbare gebied betekende nog niet zonder meer dat zij, met het geven van gelegenheid tot het doen van reclame-uitingen, een activiteit verrichtte “in verband met de uitoefening van een overheidstaak of van een publiekrechtelijke bevoegdheid”. Het gelegenheid geven tot het doen van reclame-uitingen was geen activiteit die bij wet aan X was opgelegd in haar hoedanigheid als overheidslichaam. De Rechtbank verklaarde het beroep van X toch gegrond omdat zij tegemoet kwam aan de in het tiendagenstuk door X naar € 50.000 verhoogde kosten. De belastbare winst uit de reclameactiviteiten bedroeg daarom (€ 293.603 -/- € 50.000 =) € 243.603. Vervolgens besliste de Rechtbank dat ook met het beheer van de aan (voormalig) personeel verstrekte hypothecaire leningen was voldaan aan alle materiële ondernemingsvereisten. De Rechtbank was het met de inspecteur eens dat sprake was van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, omdat het om een verhoudingsgewijs omvangrijke hypotheekportefeuille ging met een groot aantal schuldenaren. Volgens de Rechtbank sneed de voor de inspecteur gemaakte vergelijking met een commerciële hypotheekbankinstelling hout, omdat de activiteiten van X naar hun aard in dezelfde lijn lagen. Daardoor was sprake van een organisatie van kapitaal en arbeid met het oogmerk om daarmee winst te behalen. Door deze activiteit in de heffing te betrekken werd ook recht gedaan aan de bedoeling van de wetswijziging per 1 januari 2016, namelijk het creëren van een gelijk speelveld.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022