A-G Wattel: omslagstelsel voor PEB in strijd met goedkoopmansgebruik

Datum: 12 augustus 2022

BV X had per 1 januari 2016 nog € 666.946 aan te verrekenen verliezen uit 2007, die konden worden verrekend tot uiterlijk 1 januari 2017. In haar aangifte Vpb 2016 vermeldde BV X een belastbare winst van € 551.206 en een belastbaar bedrag van € 0. Op haar fiscale balans stond per 1 januari 2016 een pensioenvoorziening van € 369.543 voor haar directeur en enig werknemer Y. Per 31 december 2016 nam BV X geen pensioenvoorziening meer op, omdat zij per 2016 was overgegaan naar het omslagstelsel. In de fiscale winst- en verliesrekening 2016 gaf zij onder de personeelskosten een negatieve pensioenlast aan van € 369.543. De inspecteur accepteerde de stelselwijziging niet. Hij herrekende en corrigeerde de pensioenvoorziening per 31 december 2016 met € 392.026. BV X ging in beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden stelde BV X in het gelijk. BV X had volgens het Hof een procesbelang omdat door aanvaarding van de stelselwijziging in 2016 een groter deel van de verliezen uit de jaren van voor 2016 zou kunnen worden verrekend, terwijl de (resterende) verliezen uit die oudere jaren per 1 januari 2017 verdampten. Vervolgens besliste het Hof inhoudelijk dat het door BV X bepleite omslagstelsel in overeenstemming was met goedkoopmansgebruik. De staatssecretaris ging in cassatie. Advocaat-Generaal (A-G) Wattel heeft een conclusie genomen. De A-G verwierp de stelling van de staatssecretaris dat BV X geen procesbelang had. Volgens de A-G had het Hof terecht beslist dat BV X voldoende actueel belang had bij een rechterlijke uitspraak over het geschil. De A-G concludeerde met betrekking tot het materiële geschil dat op basis van het matching-beginsel de verwachte pensioenlasten voor Y zoveel mogelijk ten laste zouden moeten komen van de jaren waarin Y zijn arbeidsprestaties voor BV X leverde. Ter zake van verschuldigd salaris volgde uit onder meer een arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2011 dat het matching-beginsel dwong tot toerekening aan het desbetreffende arbeidsjaar. De Hoge Raad maakte volgens de A-G dus kennelijk onderscheid tussen salarisverplichtingen en pensioenverplichtingen, want ook toen hij zulke salarismatchingjurisprudentie al had gewezen, had de Hoge Raad in een arrest van 29 januari 1969 toch nog beslist dat goed koopmansgebruik zich niet verzette tegen het niet-passiveren van in eigen beheer bestaande pensioenverplichtingen (PEB). Dit arrest was volgens de A-G achterhaald. Voor zover een goede koopman nog pensioenverplichtingen in eigen beheer had (gegeven de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer), passiveerde hij die verplichtingen op actuariële basis. Dat impliceerde dat voor zover er nog pensioenverplichtingen in eigen beheer bestonden die niet waren gepassiveerd, overstap naar kapitaaldekking verplicht was. De A-G adviseerde de Hoge Raad het cassatieberoep van de staatssecretaris gegrond te verklaren.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022