Te late indiening BTW-teruggaafverzoeken bijna-thuis-huis fataal

Datum: 11 augustus 2022

X bood ondersteunende zorg in een huiselijke omgeving aan mensen in de terminale fase van hun leven. Hiervoor was in mei 2019 een zogenoemd bijna thuis-huis (het huis) geopend waarin twee gastenkamers waren voor terminaal zieke patiënten, met een gemeenschappelijke ruimte met keuken en een logeerruimte voor naasten van de patiënten. De medische zorg van de patiënten werd uitgevoerd door de eigen huisarts en door de thuiszorg. In het huis waren dagelijks vrijwilligers aanwezig die de patiënten met huishoudelijke en andere taken ondersteunden. X stelde dat haar activiteiten bestonden uit het verstrekken van logies in het huis binnen het kader van het hotel-, pensioen- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die er slechts voor een korte periode verblijf hielden en dat dus sprake was van met BTW belaste verhuur. De inspecteur vond echter dat de prestaties van X waren vrijgesteld van BTW-heffing en verklaarde de verzoeken om teruggaaf van BTW niet-ontvankelijk omdat zij niet binnen de gestelde termijn waren ingediend. Vervolgens besliste hij ambtshalve dat het bedrag van de teruggaaf over beide perioden nihil was. X ging in beroep, maar Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde haar in het ongelijk. De Rechtbank stelde vast dat de inspecteur de termijn voor het indienen van beide aangiften had gesteld op 7 februari 2020. Uit de stempels op de door de inspecteur ontvangen aangiften volgde dat deze op 11 februari 2020 – en dus niet tijdig – door de inspecteur waren ontvangen. De Rechtbank had geen reden te twijfelen aan de juistheid van de op de aangiften vermelde ontvangstdata. X kon aan informatie op de website van de Belastingdienst niet het vertrouwen ontlenen dat de aangiften tijdig waren ingediend. Uit de zin op de website over de coulancetermijn van 7 kalenderdagen stond op de website van de Belastingdienst: “Is uw aangifte binnen deze termijn bij ons binnen? Dan krijgt u geen boete” Kon niet worden afgeleid dat het beleid van de Belastingdienst inhield dat verzoeken om teruggaaf later dan op de uiterste indieningstermijn konden worden ingediend. Ook was de termijnoverschrijding niet verschoonbaar vanwege de opstartfase waarin X verkeerde, de procedures voor het indienen van BTW-aangiften onvoldoende bekend waren bij haar bestuursleden en de toenmalige penningmeester fouten had gemaakt. Deze feiten en omstandigheden lagen in de risicosfeer van X zelf en maakten niet dat de te late indiening van de aangiftebiljetten redelijkerwijs niet aan X kon worden toegerekend. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022