Schenking van vader niet voor de helft ook schenking van moeder

Datum: 5 augustus 2022

De vader van mevrouw X liet op 27 juni 2001 ten titel van schenking een bedrag van € 3.861.875 van een op zijn naam bij de Clariden Bank (nu: Credit Suisse) in Zwitserland aangehouden bankrekening overboeken naar een bij dezelfde bank aangehouden rekening van zijn dochter. De vader overleed op 14 augustus 2002. In oktober 2014 stuurde X een brief naar de Belastingdienst waarin zij verklaarde dat zij gerechtigd was (geweest) tot niet eerder aangegeven (buitenlandse) inkomens- en/of vermogensbestanddelen. Naar aanleiding hiervan sloot zij in september 2015 een vaststellingsovereenkomst (VSO) met de Belastingdienst over de betaling van IB, toeslagen en schenkbelasting met boeten, maar behield zich met betrekking tot de aanslag schenkbelasting met 30% vergrijpboete het recht voor om bezwaar en beroep in te stellen. Zij ging in bezwaar en beroep, omdat ze het er niet mee eens was dat de inspecteur er bij de aanslag van was uitgegaan dat in 2001 de helft van het Zwitserse banktegoed van EUR 3.861.875 (dus € 1.930.937) door haar in 2019 overleden moeder was geschonken, omdat haar ouders in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd ten tijde van de schenking. Volgens de inspecteur was de moeder voor de helft verarmd en X als begiftigde voor de helft verrijkt ten laste van haar vader en voor de helft ten laste van haar moeder. Daarbij wees de inspecteur op een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 januari 2020, een besluit van de staatssecretaris van 15 oktober 2014 (zie FutD 2014-2568) en een aantal citaten uit de fiscale literatuur, waaronder een noot van mevrouw Van Vijfeijken bij de arresten van de Hoge Raad van 20 maart 2009. Rechtbank Noord-Nederland was het echter met X eens dat moest worden uitgegaan van het civiele recht en besliste dat het in algehele gemeenschap van goederen gehuwd zijn van echtgenoten niet betekende dat een echtgenoot geacht moest worden (mede) partij te zijn bij een door een andere echtgenoot gedane schenking. De Rechtbank vernietigde de aanslag schenkbelasting, en daarmee ook de vergrijpboete. De inspecteur ging in hoger beroep maar Hof Arnhem-Leeuwarden stelde hem in het ongelijk. Het Hof besliste dat het civiele recht als uitgangspunt moest gelden omdat artikel 1, lid 3, SW voor de definitie van een schenking naar artikel 186, lid 2, boek 7 BW verwees. Voor een op grond van de SW belaste schenking moest er dus sprake zijn van een gift in de zin van het BW. Het Hof besliste dat het feit dat vader in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd met moeder niet meebracht dat moeder een schenking had gedaan van € 1.930.937 aan X (de helft van de totale schenking van € 3.861.875). Dat de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd, betekende niet dat een echtgenoot (mede) partij was bij een door de andere echtgenoot aangegane rechtshandeling. Het Hof verwees hierbij naar een arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2012 (zie FutD 2012-0169 met ons commentaar). In de SW was geen uitzondering gemaakt op het civiele recht voor wat betreft de schenking, daarom was ook voor de SW geen sprake van een schenking. Het Hof was het echter niet met X eens dat de inspecteur had verzuimd alle op de zaak betrekking hebbende stukken in deze procedure te overleggen, zoals het klantdossier, het logboek, het interne verslag naar aanleiding van de VSO en het standpunt van de kennisgroep. De inspecteur had ontkend dat er meer stukken aanwezig waren in het klantdossier dan door hem waren overgelegd en ook gesteld dat er geen sprake was van een logboek en X had volgens het Hof het bestaan van de door haar gestelde stukken niet aannemelijk gemaakt. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur en het incidenteel hoger beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.