NIBUD-gegevens bruikbaar bij bewijs omkering bewijslast door inspecteur

Datum: 2 augustus 2022

Na een boekenonderzoek bij mevrouw X stelde de inspecteur dat uit de vermogensvergelijking en kasopstellingen bleek dat zij over 2014 tot en met 2016 aanzienlijk hogere uitgaven had gedaan dan er aan besteedbaar geld op basis van de aangifte per jaar beschikbaar was. In verband met het negatief netto privé van respectievelijk € 82.086, € 32.564 en € 102.213 legde de inspecteur bij de (navorderings)aanslagen vergrijpboeten op. X ging in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant was het met hem eens dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd, omdat kopieën van de aanslagbiljetten ontbraken. De Rechtbank verbond hier geen gevolgen aan omdat de inspecteur alleen beschikte over uittreksels uit het aanslagenbelastingsysteem met alle noodzakelijke gegevens over de aanslagen. Vervolgens besliste de Rechtbank dat de inspecteur voor elk van de jaren aannemelijk had gemaakt dat sprake was van één of meer gebreken die ertoe hadden geleid dat de volgens de aangiften verschuldigde IB verhoudingsgewijs aanzienlijk lager was dan de werkelijk verschuldigde belasting. Anders dan X meende, konden NIBUD-gegevens hierbij worden gebruikt om te bepalen wat in de situatie van X ongeveer de kosten voor het levensonderhoud moesten zijn geweest. Vervolgens besliste de Rechtbank dat X geen deugdelijke verklaring had gegeven voor het uit de vermogensvergelijkingen en kasopstellingen volgende aanzienlijke negatief netto privé. De Rechtbank vond het ongeloofwaardig dat X in 2013 een schenking van € 200.000 zou hebben ontvangen, wat ook in strijd was met de eigen aangifte waarin dit bedrag niet was opgenomen en in de aan de orde zijnde jaren was het spaargeld van X zelfs gestegen. De Rechtbank concludeerde dat X over alle jaren de vereiste aangiften niet had gedaan, zodat de bewijslast moest worden omgekeerd en verzwaard. De Rechtbank vond de schatting van de inspecteur redelijk en X had niet het verzwaarde tegenbewijs geleverd dat de (navorderings)aanslagen te hoog waren vastgesteld. De Rechtbank besliste tot slot dat de vergrijpboeten terecht waren opgelegd gelet op het aanzienlijke inkomen dat was genoten maar niet was aangegeven en de inspecteur had aangetoond dat sprake was van (voorwaardelijk) opzet op het doen van onjuiste aangiften waardoor te weinig belasting zou worden betaald. De Rechtbank matigde de boeten wel met 15% in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.