Niet al in 2019 lage BTW-tarief elektronische download e-books

Datum: 1 augustus 2022

NV X exploiteerde onder meer een webwinkel. Daar verkocht ze onder meer e-books, luisterboeken en abonnementen op e-books en/of luisterboeken. E-books en luisterboeken (hierna: e-books) werden op fysieke dragers zoals elektronische opslagapparaten verkocht. Een koper kon er echter ook voor kiezen om e-books enkel elektronisch te downloaden (de diensten). NV X voldeed over het 4e kwartaal 2019 over de diensten BTW naar het algemene tarief maar stelde in beroep dat het verlaagde tarief met betrekking tot de diensten al van toepassing was per 1 januari 2019. Post b.21 was pas per 1 januari 2020 in de Wet OB opgenomen, maar volgens NV X had de Nederlandse wetgever het verlaagde tarief voor digitale leveringen van e-books al per 1 januari 2019 moeten invoeren. Al veel eerder was namelijk bekend dat het algemene tarief voor die prestaties leidde tot schending van het fiscale neutraliteitsbeginsel. Rechtbank Noord-Holland stelde NV X in het ongelijk. Per 1 januari 2020 had Nederland het verlaagde BTW-tarief voor elektronisch verstrekte boeken ingevoerd. Volgens de Rechtbank had de inspecteur onvoldoende onderbouwd dat de wens tot bescherming van de rechtszekerheid in verband met ontwikkelingen op het gebied van elektronische diensten en de diensten die onder bijlage III, punt 6, BTW-richtlijn vielen, in 2019 was blijven voortbestaan. De aanvankelijke wettelijke ongelijke behandeling van de leveringen van e-books op fysieke dragers en de diensten (leveringen van e-books op digitale wijze) was volgens de Rechtbank in overeenstemming met de tot 4 december 2018 geldende tekst van de BTW-richtlijn en de daarover gewezen jurisprudentie. De Rechtbank verwierp de stelling van NV X dat Nederland de Wet OB direct per 4 december 2018 of per 1 januari 2019 had moeten wijzigen. NV X had onvoldoende onderbouwd dat het Nederlandse wetgevingsproces voor het invoeren van gelijke behandeling van de diverse leveringen van e-books onredelijk lang had geduurd. De Nederlandse wetgever had niet hoeven anticiperen op de inwerkingtreding van Richtlijn 2018/1713 door een daarmee overeenstemmend wetsvoorstel klaar te hebben liggen of wetgeving of een goedkeurende regeling in de loop van 2019 in te voeren. Het was de Nederlandse wetgever in beginsel toegestaan een eigen prioritering toe te passen. De Rechtbank verwierp tot slot ook het beroep van NV X op artikel 98, lid 2, BTW-richtlijn, in samenhang met punt 6 van bijlage III, BTW-richtlijn. De tekst van post a.30 was volgens de Rechtbank duidelijk: het verlaagde tarief gold op grond van deze post als sprake was van boeken op fysieke dragers. De daaruit af te leiden bedoeling van de nationale wetgever met die post was dienovereenkomstig. Ook parlementaire stukken wezen erop dat het digitaal verstrekken van e-books onder het algemene tarief niet onder post a.30 viel. Dit betekende dat naar tekst en bedoeling de post geen betrekking had op e-books die bij een elektronische dienst werden verstrekt. In aanvulling daarop wees de Rechtbank op de bedoeling van de wetgever om deze diensten onder post b.21 te doen begrijpen. Dit leidde tot de conclusie dat de richtlijnconforme interpretatie van post a.30 die NV X voorstond, niet mogelijk was. De Rechtbank verklaarde het beroep van NV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.