BTW-voordrachtenvrijstelling voor organisator HOVO-cursussen

Datum: 1 juli 2022

Stichting X hield zich bezig met het verzorgen en bevorderen van hoger onderwijs voor ouderen (HOVO). X stelde dat haar activiteiten waren vrijgesteld van BTW op grond van de voordrachtenvrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel p, Wet OB. Rechtbank Noord-Nederland en Hof Arnhem-Leeuwarden waren het met X eens. Volgens het Hof bestonden de HOVO-cursussen uit een reeks (hoor)colleges. Deze vormgeving viel binnen het bereik van wat naar algemeen spraakgebruik kon worden aangemerkt als het geven of verrichten van “voordrachten en dergelijke diensten”. Daarbij vond het Hof het niet van belang of sprake was van een enkele voordracht of een reeks van (samenhangende) voordrachten. In beide gevallen was sprake van “voordrachten en dergelijke diensten”. Daaraan deed niet af dat een aantal cursussen qua onderwerp en inhoud overeenkomsten vertoonde met het reguliere en van BTW vrijgestelde onderwijs zoals dat aan een universiteit of hogeschool werd gegeven. Voordrachten die strekten tot bevordering van wetenschap of algemene ontwikkeling, waarop de voordrachtenvrijstelling betrekking had, waren volgens het Hof mede gericht op kennisoverdracht en bevatten per definitie elementen die vergelijkbaar waren met “het geven van onderwijs”. Dat leidde er niet toe dat aan een college niet langer het karakter van voordracht kon worden toegekend. Het Hof was het ook niet met de inspecteur eens dat “cursorisch onderwijs” en “het houden van voordrachten” elkaar uitsluitende begrippen waren en verwierp bovendien zijn stelling dat de voordrachtenvrijstelling alleen gold voor degene die de voordrachten hield en niet voor organisatoren daarvan, zoals X. Tot slot was het Hof het ook niet met de inspecteur eens dat de zinsnede “tegen een vergoeding die in hoofdzaak strekt tot dekking van kosten” niet overeenkwam met het begrip “winst beogen” als bedoeld in artikel 133, letter a, BTW-Richtlijn 2006. Het Hof legde de in de voordrachtenvrijstelling omschreven voorwaarde dat de vergoeding voor de voordrachten en dergelijke diensten in hoofdzaak strekte tot dekking van de kosten conform de in de voordrachtenvrijstelling geïmplementeerde toepassingsvoorwaarde in artikel 133, letter a, BTW-Richtlijn 2006 uit. In dat geval was niet in geschil dat X kwalificeerde als een niet winst beogende instelling als bedoeld in artikel 133, letter a, BTW-Richtlijn 2006, zodat aan deze voorwaarde werd voldaan. Het Hof besliste dat op het cursorisch onderwijs van X de voordrachtenvrijstelling van toepassing was.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022