Vermogensbeheerdiensten voor ondernemingspensioenfonds vrij van BTW

Datum: 23 juni 2022

BV Y was onderdeel van X en verrichtte diensten aan ondernemingspensioenfonds A dat verantwoordelijk was voor de uitvoering van pensioenregelingen voor (ex-)medewerkers van B. De pensioenregelingen betroffen zogenoemde “defined contribution” regelingen waarbij de deelnemers van A zelf bepaalden hoeveel risico zij wilden nemen door een Life Cycle profiel te kiezen. A sloot in mei 2013 met (de voorganger van) BV Y een Fiduciary Life Cycle Managementovereenkomst (FLCM) met een Service Level Agreement (SLA). Hieruit volgde dat A een ALM-studie (asset-liability-managementstudie) liet uitvoeren waarvan de uitkomsten werden gebruikt voor het ontwerpen van Life Cycle profielen en de CVP-beleggingsmix. Tijdens dit ontwerpproces adviseerde BV Y op verzoek van A over de structuur van de profielen en de beleggingsmix. BV Y adviseerde ook of de profielen en beleggingsmix implementeerbaar waren. BV Y reikte in februari 2017 een factuur zonder BTW uit aan A voor de op grond van de FLCM verrichte dienstverlening en voldeed ook geen BTW ter zake van de geleverde diensten die betrekking hadden op deze factuur. De inspecteur was dat niet met BV Y eens en legde X een naheffingsaanslag BTW op over het eerste kwartaal van 2017 van € 6.579. X ging in beroep en stelde dat haar dienstverlening was aan te merken als het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen en dat haar diensten een afzonderlijk geheel vormden. Rechtbank Gelderland stelde X in het gelijk. A kwalificeerde als ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen in de zin van artikel 11, lid 1, letter i, ten derde, Wet OB en de diensten die BV Y verrichtte aan A waren aan te merken als één samengestelde prestatie voor de BTW. De Rechtbank vond het niet aannemelijk dat de door BV Y aan A verrichte dienstverlening afweek van de FLCM en de SLA. Uit die stukken volgde dat A een ALM-studie liet uitvoeren waarvan de uitkomsten werden gebruikt voor het ontwerpen van Life Cycle profielen en de CVP-beleggingsmix. Volgens de Rechtbank was A een gemeenschappelijk beleggingsfonds dat uitsluitend belegde in beleggingsinstellingen. De dienstverlening van BV Y hield volgens de Rechtbank intrinsiek verband met deze activiteit van A. Zij deed aanbevelingen over de aan- en verkoop van de deelnemingsrechten, verwierf en vervreemdde namens A de deelnemingsrechten en hield hiervan administratie bij, zorgde voor het risicomanagement en de performancemeting en monitorde de prestaties van de beleggingsinstellingen. Deze werkzaamheden waren specifiek afgestemd op de situatie van A en waren daarom niet inherent aan elk soort van belegging. Ook was BV Y de enige die een volledig overzicht had van de vermogenspositie van A. De dienstverlening omvatte daarom alle beheers- en beschikkingshandelingen met betrekking tot de beleggingen van A, de deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen, en dus de dagelijkse zorg over die beleggingen. De dienstverlening van BV Y vertoonde daarom grote overeenkomsten met portefeuillebeheer. Hieraan deed niet af dat A in voorkomende gevallen goedkeuring gaf aan (de)selectie van beleggingsinstellingen. Voor zover BV Y adviezen uitbracht en andere handelingen verrichtte die niet gerelateerd waren aan het portefeuillebeheer, waren deze van ondergeschikt belang. Deze elementen van de dienstverlening wijzigden de aard van de dienstverlening niet. De dienstverlening vormde daarom een afzonderlijk geheel dat de kenmerkende en essentiële functies van het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen vervulde. De door BV Y verrichte dienstverlening was daarom aan te merken als beheer in de zin van artikel 11, lid 1, letter i, ten derde, Wet OB en was dus vrijgesteld van BTW.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.