Waardedaling panden niet van belang bij buitensporigheidstoets box 3

Datum: 22 juni 2022

X ontving in 2014, 2015 en 2016 AOW-, pensioen- en lijfrente-uitkeringen. Zijn echtgenote Y had geen inkomen. Hun eigen woning was vrij van hypotheek. Ze hadden in box 3 spaarsaldi van ruim € 500.000 en verhuurden panden met een waarde van ruim € 600.000. Schulden hadden zij niet. Het echtpaar ging in beroep tegen de aanslagen IB 2014, 2015 en 2016 en stelden dat de box 3-heffing van € 15.394 (2014), € 14.026 (2015) en € 13.116 (2016) leidde tot een individuele en buitensporige last. Hof Den Bosch besliste echter net als Rechtbank Zeeland-West-Brabant in het ongelijk omdat zij niet aannemelijk hadden gemaakt dat sprake was van zodanige omstandigheden dat sprake was van een buitensporige last. De werkelijk genoten renteopbrengsten op de bank- en spaartegoeden en de huuropbrengsten bedroegen respectievelijk € 67.616 (2014), € 65.923 (2015) en € 64.093 (2016). Het Hof verwierp de stelling dat de waardedalingen van de panden en de onderhoudskosten moesten worden meegenomen. Die benadering paste niet binnen de systematiek van de Wet IB 2001. Die systematiek bracht mee dat bij het bepalen van de omvang van het werkelijke rendement het moment van realisatie van het resultaat het uitgangspunt was (het kasstelsel). Het in aanmerking nemen van ongerealiseerde verliezen op panden waarvan niet zeker was of dat verlies zich daadwerkelijk zou voordoen, paste daar volgens het Hof niet bij. Het was niet aannemelijk dat de voldoening van de box 3-heffing tot het interen op het vermogen leidde. Het Hof verklaarde het hoger beroep van het echtpaar ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.