Uitdeling van € 1,8 mln voor DGA na overboeking door BV naar Zwitserland

Datum: 21 juni 2022

X was directeur en enig aandeelhouder (DGA) van BV Y die een reisbureau exploiteerde. X werd in 2015 strafrechtelijk veroordeeld wegens belastingfraude omdat hij Luxemburgse bankrekeningen niet had aangegeven en verantwoordelijk werd gehouden voor het opnemen van valse vluchtfacturen in de administratie van BV Y. X en BV Y gingen in beroep tegen de (navorderings)aanslagen IB en Vpb die waren opgelegd op grond van de uitkomsten van het controle-onderzoek en het FIOD-onderzoek. Zij stelden dat de inspecteur de bewijslast ten onrechte had omgekeerd en verzwaard. Hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde de beroepen van X en BV Y met betrekking tot 2001 gegrond en voor het overige ongegrond. X en BV Y gingen in cassatie. De Hoge Raad besliste dat het Hof met betrekking tot BV Y voor 2004 en met betrekking tot X voor 2002, 2003 en 2004 ten onrechte had beslist dat niet de vereiste aangiften waren gedaan. De Hoge Raad verwees de zaken naar Hof Den Bosch. Hof Den Bosch vond de door de inspecteur aangebrachte correcties redelijk en verklaarde het hoger beroep van BV Y ongegrond en verklaarde het hoger beroep van X deels gegrond. X en BV Y ging opnieuw in cassatie en stelden dat het Hof de in hun conclusie na het verwijzingsarrest ingenomen stelling dat de inspecteur artikel 8:42 Awb had geschonden, ten onrechte buiten beschouwing had gelaten. De Hoge Raad verklaarde de cassatieberoepen van X en BV Y gegrond en verwees de zaak naar Hof Amsterdam. Dat verwijzingshof geloofde de verklaring de inspecteur dat geen stukken waren achtergehouden en besliste dat de inspecteur had voldaan aan de uit artikel 8:42 Awb, lid 1, voortvloeiende verplichting omdat die verplichting in het algemeen niet zo ver ging dat de inspecteur gehouden was stukken in te brengen als die stukken hem niet ter beschikking hadden gestaan. Het Hof besliste vervolgens inhoudelijk dat de overboeking door BV Y van € 1.815.121 naar een bankrekening in Zwitserland het vermoeden rechtvaardigde dat dit bedrag aan X ten goede was gekomen. Het had op de weg van BV Y gelegen dit vermoeden te ontzenuwen en haar stelling aannemelijk te maken dat de overboeking had gefungeerd als aflossing van een schuld aan ene Z. Het Hof achtte BV Y in dit bewijs niet geslaagd. Verder had de inspecteur aannemelijk gemaakt dat BV Y niet de vereiste aangifte had gedaan zodat de bewijslast moest worden omgekeerd en verzwaard. De aanslag berustte op een redelijke schatting en BV Y had volgens het Hof niet bewezen dat de uitspraken op bezwaar onjuist waren. In de zaak van X besliste het Hof dat de navorderingsaanslagen over 2002, 2003 en 2006 moesten worden verminderd. Het Hof vond het niet redelijk om een bedrag aan door X ontvangen rente in 2002 volledig als uitdeling in aanmerking te nemen. Ook vond het Hof het niet redelijk om een op de rekening “Kruisposten vreemd geld” gedebiteerd bedrag van € 11.700 in 2003 als uitdeling bij X in aanmerking te nemen. Ook de aanslag over 2006 moest worden verminderd omdat onvoldoende aannemelijk was dat (het overgrote deel van) door X ontvangen bedragen van vluchtfacturen nog steeds tot het vermogen van X behoorden in 2006. Met betrekking tot de aanslag over 2004 besliste het Hof echter dat de inspecteur terecht € 1.815.121 als uitdeling had belast. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X deels gegrond en dat van BV Y ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.