Verzoek om indeplaatsstelling te laat; juridische fusie niet geruisloos

Datum: 21 juni 2022

Op 23 december 2016 was BV X met terugwerkende kracht naar 1 januari 2016 juridisch gefuseerd met haar dochtervennootschap BV Y, waarbij het vermogen van BV Y (als verdwijnende vennootschap) onder algemene titel was overgegaan op BV X (als verkrijgende vennootschap). Op 26 april 2018 diende BV X haar aangifte Vpb 2016 over 1 januari 2016 tot en met 23 december 2016 in. De inspecteur corrigeerde de winst van BV X omdat volgens hem sprake was van een ruisende fusie tussen BV X en BV Y, waardoor geen verrekening met verliezen van BV Y werd toegestaan. BV X maakte bezwaar en verzocht op 28 januari 2020 om toepassing van indeplaatstreding op grond van artikel 14b, lid 3, Wet Vpb. De inspecteur wees het verzoek af omdat het te laat was ingediend. BV X ging in beroep en stelde dat zij wel tijdig een verzoek had ingediend en beriep zich subsidiair op de goedkeuring in § 8.2 van het besluit Juridische fusie van 27 januari 2015. Rechtbank Gelderland stelde BV X in het ongelijk. In artikel 14b Wet Vpb stond in het eerste lid de ruisende fusie als hoofdregel en in het tweede lid de geruisloze fusie als uitzondering op die hoofdregel. Die uitzondering was van toepassing als aan bepaalde voorwaarden was voldaan. In het derde lid stond een begunstigende uitzondering op de eerste uitzondering. BV X had volgens de Rechtbank geen enkel bewijs overgelegd waaruit bleek dat zij vóór de fusiedatum een verzoek had ingediend. BV X kon volgens de Rechtbank ook geen beroep doen op het goedkeurende beleid in het Besluit juridische fusie, omdat niet was voldaan aan de cumulatieve voorwaarden onder a. en b. die waren gesteld in § 8.2 van dat besluit. De Rechtbank verwierp de stelling van BV X dat sprake was van kennelijk onredelijk beleid, omdat § 8.2 al een begunstiging op begunstiging was, en de beide voor de begunstiging (expliciet) cumulatief geformuleerde voorwaarden onder a. en b. waren bedoeld om latere heffing te verzekeren en/of incidentele voordelen te vermijden. Aangezien de aan BV Y over 2016 opgelegde aanslag onherroepelijk vaststond waarbij een belaste overdracht het uitgangspunt was geweest, voldeed BV X volgens de Rechtbank niet aan de in § 8.2 genoemde voorwaarde. BV X kwam daarom niet in aanmerking voor indeplaatstreding. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.