Uitspraak massaal bezwaar box 3 ná uitspraak Hof: cassatie tevergeefs

Datum: 17 juni 2022

X deed aangifte IB over 2017. De box 3-grondslag bedroeg € 428.430, waarvan X € 220.400 had toegerekend aan zichzelf en de rest aan zijn echtgenote. Op de spaartegoeden was in 2017 in totaal € 1.426 rente ontvangen. De inspecteur berekende de box 3-heffing op € 2.652. X ging in beroep en stelde dat de box 3-heffing een individuele en buitensporige last opleverde. Hof Amsterdam stelde hem net als Rechtbank Noord-Holland in het ongelijk. Het Hof vond het niet aannemelijk dat X op zijn vermogen moest interen om de vermogensrendementsheffing te voldoen. X ging in cassatie, maar de Hoge Raad verklaarde dat ongegrond. De staatssecretaris had na het Kerstarrest op 4 februari 2022 uitspraak op het massaal bezwaar gedaan. In het arrest van 20 mei 2022 had de Hoge Raad beslist dat de feitenrechter die na de uitspraak op het massaal bezwaar over het individuele bezwaar tegen de box 3-heffing moest beslissen, de gevolgen van die uitspraak in zijn beoordeling kon betrekken. Ten aanzien van een voor 4 februari 2022 gedane uitspraak van de rechter bleef de in het arrest van 2 juli 2021 genoemde beperking onverkort gelden. Voor zaken die niet waren geselecteerd voor de massaal bezwaarprocedure, zoals de zaak van X, betekende dit dat in cassatie alleen het oordeel inzake het individuele bezwaar kon worden onderzocht. Bij de beoordeling van de individuele buitensporige last had het Hof volgens de Hoge Raad de juiste maatstaf gehanteerd en de beslissing was niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.