Cryptovaluta-handel met zelfontwikkelde “trading bot” geen bron: winst van € 10 mln onbelast

Datum: 8 juni 2022

X handelde in cryptovaluta. Van augustus 2015 tot en met juli 2018 waren door hem 124.004 transacties geïnitieerd. Daarbij maakte hij gebruik van een door hemzelf in 2015 ontwikkelde “trading bot”. Dat was een door X geschreven algoritme dat “keek” naar de koersverschillen zoals die zich met betrekking tot dezelfde cryptovaluta konden voordoen op verschillende handelsplatforms en was ontworpen om “munt te slaan” uit imperfecties. Als werd voldaan aan bepaalde, in het algoritme vastgelegde, parameters werd automatisch een cryptovalutatransactie geïnitieerd. Het met de imperfecties behaalde resultaat werd “arbitrageresultaat” genoemd. Naast het arbitrageresultaat werden in 2015 en 2017 ook positieve koersresultaten behaald als gevolg van de waardestijging van de diverse cryptovaluta zoals X die in portefeuille had. X deed voor 2015 aangifte IB naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.285, bestaande uit looninkomsten en deed aangifte over 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.667 en een belastbaar inkomen uit sparen en belegen van € 22.389. Op 4 april 2018 deed X voor 2015 een melding vrijwillige verbetering waarin hij aangaf dat hij edelmetalen en cryptovaluta bezat met een waarde per 1 januari 2015 van respectievelijk € 42.389 en € 18.366 (totaal € 60.755). Na deze melding legde de inspecteur over 2015 een navorderingsaanslag op waarbij hij € 15.281 winst in aanmerking nam en het box 3-vermogen bepaalde op € 90.763. De inspecteur corrigeerde de aangifte 2017 met een winst uit onderneming van € 10.637.232 en een box 3-vermogen van € 399.231. X ging in beroep en stelde dat niet aan de bronvereisten was voldaan en de behaalde resultaten daarom niet konden worden belast in box 1. Rechtbank Gelderland stelde hem in het gelijk. De Rechtbank stelde voorop dat volgens vaste jurisprudentie sprake was van een bron van inkomen als was voldaan aan de drie broncriteria, te weten: (1) deelname aan het economisch verkeer, (2) voordeel beogen (het subjectieve criterium) en (3) redelijkerwijs voordeel verwachten (het objectieve criterium). Volgens de Rechtbank lag op grond van een brief van de staatssecretaris van 28 mei 2018 de bewijslast dat sprake was van een bron van inkomen bij de inspecteur. Vervolgens besliste de Rechtbank dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat X deelnam aan het economisch verkeer en voordeel beoogde. X had immers vele duizenden transacties verricht op diverse voor het publiek toegankelijke cryptobeurzen. Gelet op de aard van de transacties vond de Rechtbank het aannemelijk dat X hiermee subjectief voordeel had beoogd. De inspecteur had volgens de Rechtbank echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van structureel positieve resultaten die in causaal verband stonden tot de door X verrichte extra arbeid, zoals bedoeld in de brief van de staatssecretaris. Cryptovaluta waren namelijk, gelet op de grote koersuitslagen, te beschouwen als hoog speculatieve vermogenstitels. Dit werd onderstreept doordat X na het goede jaar 2017, in 2018 aanzienlijke verliezen had geleden. Dit waren weliswaar feiten en omstandigheden die in een later jaar hadden plaatsgevonden, maar deze mochten worden meegewogen bij de beantwoording van de vraag of sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. Daarnaast vond de Rechtbank dat de inspecteur het verband tussen de veronderstelde extra arbeid en de positieve resultaten van 2015 en 2017 niet aannemelijk had gemaakt. Dat X zich arbeid had getroost en naast zijn werk in 2015 een algoritme had geschreven waarmee hij de cryptovalutamarkt was opgegaan, betekende nog niet dat de winst die hij had behaald kon worden toegeschreven aan die arbeid. Veeleer was het positieve resultaat van vooral 2017 volgens de Rechtbank toe te schrijven aan de gestegen koersen van de diverse, hoog speculatieve, cryptovaluta. En dat was iets waarop X geen invloed had kunnen uitoefenen, althans dat was niet gebleken. Volgens de Rechtbank was speculatie het overheersende element van de activiteiten van X en was geen sprake van een objectieve voordeelsverwachting die was te koppelen aan “extra” arbeid van X, en was er daarom geen sprake van een bron van inkomen. De Rechtbank verklaarde de beroepen van X gegrond en verminderde de aanslagen over 2015 en 2017.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.