Scheidingsregeling eigen woning niet zonder mede-eigendom

Datum: 27 mei 2022

X was tot 21 november 2014 buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw Y. De echtelijke woning was voor 100% eigendom van mevrouw Y. X diende in 2013 een verzoek tot echtscheiding in en liet zich per 1 december 2013 uitschrijven op het adres van de woning. Mevrouw X bleef in de woning wonen. Op de woning rustte een hypothecaire geldlening waarvoor X en mevrouw Y beiden hoofdelijk aansprakelijk waren. X betaalde in 2013 de volledige hypotheekrente en trok dat bedrag in zijn aangifte IB af. X en mevrouw Y kozen in 2013 niet voor voljaarspartnerschap. De inspecteur corrigeerde de aftrek van de hypotheekrente bij X. Onder meer de in december 2013 door X betaalde hypotheekrente van € 1.098 stond hij niet in aftrek toe. X ging in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde X in het ongelijk. Op het hoger beroep van X besliste Hof Den Bosch dat X recht had op aftrek van het volledige bedrag van € 1.098. De helft van dat bedrag vond het Hof aftrekbaar als eigenwoningrente op grond van artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001, en de andere helft als alimentatie voor mevrouw Y (art. 6.3, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001). Met betrekking tot de aftrek als eigenwoningrente besliste het Hof dat de tekst noch de strekking van artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001 steun bood voor het standpunt van de inspecteur dat de daarin vervatte regeling voor gewezen partners alleen gold als de woning (mede-)eigendom was van de gewezen partner aan wie die woning niet langer als hoofdverblijf ter beschikking stond. Volgens het Hof liep de tweejaarstermijn van artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001 voor X door in de maand december 2013. De staatssecretaris ging in cassatie en stelde dat artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001 niet meebracht dat X recht had op aftrek van € 549 (50% van € 1.098) als eigenwoningrente. De voorwaarde van artikel 3.111, lid 1, letter a, Wet IB 2001 dat de woning aan de belastingplichtige ter beschikking moest staan op grond van eigendom, gold volgens de staatssecretaris onverkort bij toepassing van artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001. De beslissing van het Hof dat voor de aftrek op basis van artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001 niet was vereist dat X mede-eigenaar was van de woning, was daarom onjuist. De Hoge Raad was het met de staatssecretaris eens dat de uit artikel 3.111, lid 1, letter a, Wet IB 2001 volgende voorwaarden onverminderd golden wanneer zich een situatie voordeed zoals bedoeld in artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001. De Hoge Raad verwees hierbij naar de conclusie van Advocaat-Generaal Niessen. De Hoge Raad besliste dat de uitspraak van het Hof niet in stand kon blijven en verwees de procedure naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor een nader onderzoek naar de door het Hof niet behandelde vragen of (1) X in 2013 economisch (mede)eigenaar was van de woning, in welk geval artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001 wel van toepassing zou zijn, en (2) of het bedrag van € 549, indien het niet aftrekbaar was als eigenwoningrente, aftrekbaar was als onderhoudsverplichting (art. 6.3, lid 1, letter a of letter b, Wet IB 2001). De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van de staatssecretaris gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.