Lagere PKV bij WOZ en BPM-procedures volgens Hoge Raad discriminerend

Datum: 27 mei 2022

BV X voldeed in september 2017 BPM op aangifte voor de registratie van een auto uit 2014 met meer dan normale gebruiksschade. Zij ging vervolgens in beroep en stelde dat de auto bij de registratie in december 2017 drie maanden ouder was dan waarvan zij bij de aangifte in september 2017 was uitgegaan. Rechtbank Gelderland stelde BV X in het gelijk en verminderde de BPM. BV X ging in hoger beroep en stelde dat de inspecteur het in 2013 geldende BPM-tarief had moeten toepassen. Hof Arnhem-Leeuwarden was het echter met de inspecteur eens dat BV X een te hoog bedrag aan schade in aanmerking had genomen. Dit te hoge bedrag was toereikend om het BPM-bedrag te compenseren dat BV X terugbetaald wilde hebben. Het Hof wees het verzoek van BV X om een IMSV af, omdat de coronapandemie een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie was die de verlenging van de redelijke termijn van twee jaar voor berechting in hoger beroep met vier maanden rechtvaardigde. BV X ging in cassatie. De Hoge Raad was het niet met BV X eens dat uit het arrest Nicula van het EU-Hof van Justitie volgde dat interne compensatie bij de BPM niet was toegestaan.  De Hoge Raad besliste vervolgens dat de uitbraak van het coronavirus in 2020 niet in algemene zin mocht worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die een verlenging rechtvaardigde van de termijn van berechting die in de regel als redelijk was aan te merken. De uitbraak van het coronavirus vormde volgens de Hoge Raad alleen een bijzondere omstandigheid als partijen waren uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de periode waarin de gerechtsgebouwen in verband met de uitbraak van dit virus waren gesloten (de periode 17 maart 2020 tot en met 10 mei 2020) en het onderzoek ter zitting daarom opnieuw moest worden gepland. De Hoge Raad kende BV X een PKV toe voor de kosten van het hoger beroep en het beroep in cassatie. Met ingang van 1 juli 2021 werd in het BPB voor de waarde per punt onderscheid gemaakt tussen procedures die betrekking hadden op een besluit genomen op grond van hoofdstuk III of IV van de Wet WOZ of hoofdstuk III van de Wet BPM en procedures die betrekking hadden op een besluit op grond van een andere wettelijke bepaling. De waarde per punt in beroep en in hoger beroep was voor de laatste categorie besluiten verhoogd met 40%. Voor besluiten op het gebied van de Wet WOZ en de Wet BPM was de waarde per punt in beroep en in hoger beroep per 1 juli 2021 niet verhoogd. Dit verschil in behandeling was ingevoerd omdat gemeenten volgens de toelichting bij de wijziging vreesden dat een hogere PKV leidde tot een nog groter beroep op de bestuursrechter door no-cure-no-pay-bureaus, met name in zaken op het gebied van de Wet WOZ. Die toelichting van de besluitgever, die het gemaakte onderscheid in puntwaarden baseerde op klachten en vrees, in het bijzonder van de kant van gemeenten, bevatte volgens de Hoge Raad geen aanwijzingen aan de hand waarvan het realiteitsgehalte van die klachten en vrees kon worden beoordeeld, voor zover het om de kosten in beroep en in hoger beroep ging. De bijzondere regel van punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij het BPB was volgens de Hoge Raad in strijd met het discriminatieverbod van artikel 1 Grondwet. De Hoge Raad kende BV X een PKV toe van in totaal € 3.795.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.