Kindtarief en -vrijstelling voor erfenis biologische vader

Datum: 25 mei 2022

De in 1996 geboren X die bij zijn moeder en haar echtgenoot B woonde, was in oktober 2001 door B erkend als kind. In 2017 overleed de biologische vader (A) van X. X was bij testament benoemd tot één van de erfgenamen en verkreeg € 503.932. In de aangifte erfbelasting claimde X tariefgroep I met de vrijstelling voor kinderen. De inspecteur legde een aanslag op naar het derdentarief met de vrijstelling voor overige verkrijgers. X ging in beroep en stelde dat de vrijstelling voor kinderen gold omdat A zijn biologische vader was. Subsidiair stelde hij dat op grond van artikel 8 EVRM geen onderscheid mocht worden gemaakt tussen de biologische vader en de juridische vader. Rechtbank Gelderland was het echter met de inspecteur eens dat alleen bloedverwantschap (in biologische zin) onvoldoende was voor tariefgroep I en de vrijstelling voor kinderen. X ging met succes in hoger beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden stelde voorop dat niet in geschil was dat er in civielrechtelijke zin geen familierechtelijke betrekking was tussen A en X. Op grond van artikel 1:197 BW stonden een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten in familierechtelijke betrekking tot elkaar. Artikel 1:198 BW bepaalde wie de moeder was van een kind en artikel 1:199 BW bepaalde wie de vader was van een kind. Op grond van artikel 1:199, onderdeel c, BW, was vader van een kind de man die het kind had erkend. Dit bracht mee dat in juridische zin B de vader van X was. Een kind kon niet meer dan twee juridische ouders hebben. Dit nam niet weg dat het begrip “kind” voor de toepassing van de belastingwet, waaronder de SW, een eigen definitie kende die was opgenomen in artikel 2, lid 3, onderdeel i, AWR. In de wettekst was niet verwezen naar het begrip “familierechtelijke betrekking”, maar was aangesloten bij het begrip “bloedverwant”. Op grond van artikel 3:1, lid 1, BW, werd de graad van bloedverwantschap bepaald door het getal der geboorten, die de bloedverwantschap hadden veroorzaakt. Een biologisch kind was een bloedverwant in de eerste graad van zijn biologische ouder. Op grond van artikel 2, lid 3, onderdeel i, AWR, en ook op grond van het spraakgebruik leek de conclusie gerechtvaardigd dat X, door de biologische bloedverwantschap, als bloedverwant en daarmee als kind als bedoeld in artikel 32, lid 1, onderdeel c, SW, kon worden gezien. Het Hof vond noch in de SW noch in de wetsgeschiedenis aanknopingspunten dat voor de uitleg van het begrip kind moest worden uitgegaan van een familierechtelijke betrekking. Het feit dat artikel 3:1, lid 1, BW, voor het bepalen van de graad van bloedverwantschap vermeldde dat een erkenning, een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap of een adoptie als een geboorte telde, leidde niet tot een ander oordeel. De wetgever had met artikel 3:1, lid 1, BW, het begrip “bloedverwant” uitgebreid waardoor een juridische, familierechtelijke verhouding ook onder het begrip “bloedverwant” viel. Voor het bestaan van bloedverwantschap was een biologische relatie dus niet vereist. Hieruit viel volgens het Hof niet af te leiden dat een biologisch kind niet als bloedverwant van zijn biologische ouder kon worden aangemerkt. Het Hof besliste dat X als kind van A als bedoeld in artikel 32, lid 1, onderdeel c, SW, moest worden aangemerkt en daarom in aanmerking kwam voor de kindvrijstelling. Het Hof verwees voor de vraag over de tariefgroep naar een arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2010. Aangezien het Hof het eens was met het primaire standpunt van X, kwam het Hof niet toe aan het subsidiaire standpunt van X over de tariefgroep. Het Hof verminderde de belaste verkrijging naar € 483.723 met toepassing van tariefgroep I en verklaarde het hoger beroep van X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.